ECLI:NL:CRVB:2014:615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vermogen en terugvordering bijstand zonder bijzondere omstandigheden afgewezen
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, maar deze werd geblokkeerd en later ingetrokken vanwege een onderzoek naar de rechtmatigheid. Na meerdere aanvragen en bezwaarprocedures werd de bijstand geweigerd en teruggevorderd over diverse periodes. Appellante stelde dat zij recht had op bijstand met terugwerkende kracht en dat een lening van € 966,- niet tot haar vermogen behoorde omdat er een terugbetalingsverplichting was.
De Raad onderscheidde twee periodes: een periode waarover al besluitvorming had plaatsgevonden en een periode daarvoor. Voor de eerste periode oordeelde de Raad dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die rechtvaardigen dat het eerdere besluit wordt herzien. Voor de tweede periode ontbraken bijzondere omstandigheden die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
De leenovereenkomst was onvoldoende concreet om van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting te spreken, zodat het bedrag van € 966,- als vermogen werd meegeteld. Het college had echter ten onrechte geen rekening gehouden met een vordering van € 25.549,81 op appellante, waardoor het vermogen per 23 september 2011 moest worden vastgesteld op nihil en het vrij te laten vermogen op € 11.110,-.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en herstelde de vaststelling van het vermogen en vrij te laten vermogen. Verder veroordeelde de Raad het college in de proceskosten en wees het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente en schade af.
Uitkomst: De Raad vernietigt de vaststelling van het vermogen en herroept het besluit over het vermogen, bevestigt de rest en veroordeelt het college in proceskosten.