ECLI:NL:CRVB:2014:902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder bijzondere omstandigheden
Appellante ontving bijstand sinds 1996 en werd na een fraudesignaal onderzocht door de Sociale Recherche. Uit het onderzoek bleek dat zij samenwoonde met W, zonder dit te melden, wat leidde tot terugvordering van bijstand over 2006-2010.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege psychische problematiek niet naar waarheid had verklaard en dat terugvordering ernstige gevolgen voor haar zou hebben. Zij overlegde een behandelplan met diagnoses waaronder een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en depressie.
De Raad oordeelde dat de aanvankelijk zonder voorbehoud ondertekende verklaringen van appellante bindend zijn, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar psychische toestand haar verklaringen destijds onbetrouwbaar maakte. Bewijs uit de woning en verklaringen van omwonenden ondersteunden het samenwonen.
Ook waren de door appellante aangevoerde dringende redenen om terugvordering te vermijden niet voldoende, ondanks de psychische belasting en financiële gevolgen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 maart 2014.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder bijzondere omstandigheden.