ECLI:NL:CRVB:2015:1014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van hoger beroep na intrekking buiten termijn
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Vervolgens trok appellant het hoger beroep in bij brief van 23 januari 2015. Later gaf appellant aan dat deze intrekking berustte op een misverstand, omdat hij dacht dat de proceskostenvergoeding al was betaald. Hij verzocht alsnog om een uitspraak over de proceskostenvergoeding.
De Raad overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht het hoger beroep schriftelijk kan worden ingetrokken, maar dat een eenmaal ingetrokken hoger beroep niet meer ongedaan kan worden gemaakt tenzij de intrekking binnen de hoger beroepstermijn wordt herroepen of sprake is van een wilsgebrek. In deze zaak was de intrekking bevoegd en zonder voorbehoud, en was geen herroeping binnen de termijn gedaan. Ook was geen wilsgebrek vastgesteld.
Daarom werd het hoger beroep rechtsgeldig ingetrokken en kon dit niet meer ongedaan worden gemaakt. Gelet op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad betekent dit dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep is rechtsgeldig ingetrokken en wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.