ECLI:NL:CRVB:2015:1495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand aan vreemdeling met gelijkstelling Nederlander
Appellante, van Afghaanse nationaliteit, beschikte vanaf 1 april 2001 over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na intrekking van haar verblijfsvergunning op 27 november 2007 werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 27 november 2007 tot en met 30 november 2011. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante in de periode van 27 november 2007 tot en met 20 oktober 2011 als een met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling recht had op bijstand, omdat zij tijdig beroep had ingesteld tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning en de gelijkstelling op grond van artikel 11, derde lid, WWB van toepassing was. De intrekking en terugvordering over deze periode waren daarom onrechtmatig.
Vanaf 21 oktober 2011 eindigde de gelijkstelling en viel appellante onder artikel 16, tweede lid, WWB, waardoor het college bevoegd was de bijstand vanaf die datum in te trekken. De Raad draagt het college op een nieuwe berekening te maken van het terug te vorderen bedrag voor de periode na 21 oktober 2011. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 27 november 2007 tot 20 oktober 2011 worden vernietigd; de intrekking vanaf 21 oktober 2011 is toegestaan.