ECLI:NL:CRVB:2015:1548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- F. Hoogendijk
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder. Na anonieme meldingen startte de sociale recherche een onderzoek naar mogelijke gezamenlijke huishouding met appellant. Uit dossieronderzoek, observaties en verklaringen bleek dat appellant sinds 1 maart 2012 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante, ondanks zijn inschrijving elders en zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand van appellante in over de periode 1 maart 2012 tot 1 juni 2012 en vorderde de kosten van algemene en bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en maatschappelijke bijdrage terug van appellanten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten in hoger beroep gingen.
Appellanten stelden dat appellant zijn hoofdverblijf had in zijn vrachtwagen en dat er geen sprake was van wederzijdse zorg. De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf wordt bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waarbij de verklaringen van appellanten en de vader van appellant doorslaggevend waren. Appellant verbleef hoofdzakelijk bij appellante, had persoonlijke spullen en abonnementen op haar adres en verleende en ontving zorg.
De Raad concludeerde dat aan het vereiste van gezamenlijke huishouding is voldaan en dat het hoger beroep ongegrond is. De intrekking en terugvordering van bijstand zijn daarmee terecht. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en verklaart het hoger beroep ongegrond.