ECLI:NL:CRVB:2015:2177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens ongeschiktheid en verstoorde arbeidsrelatie bij gemeente Waterland
Appellante trad in 2008 in dienst bij de gemeente Waterland als beleidsmedewerker ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. Vanaf 2009 werd haar functioneren kritisch beoordeeld, met name op schriftelijke communicatie, organisatie van het werk en juridische kennis. Na meerdere functioneringsgesprekken en aanpassingen in haar takenpakket startte zij in september 2012 een verbetertraject bij een andere afdeling.
Ondanks intensieve begeleiding bleek appellante onvoldoende zelfreflectie en leervermogen te tonen, waardoor het verbetertraject voortijdig werd beëindigd. Het college besloot haar te schorsen en uiteindelijk te ontslaan op grond van ongeschiktheid voor haar functie, primair, en subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsrelatie.
Appellante voerde aan dat haar medische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de ontslaggronden waren vermengd. De Raad oordeelde dat het college het ontslag grondig had onderbouwd, dat medisch onderzoek niet noodzakelijk was omdat de klachten het functioneren niet nadelig beïnvloedden en dat de schorsing in het belang van de dienst was gerechtvaardigd.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag wordt bevestigd.