ECLI:NL:CRVB:2021:512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag politieambtenaar wegens functieongeschiktheid door gedragsproblemen
Appellante was sinds 1999 werkzaam bij de politie en functioneerde lange tijd goed. Vanaf medio 2014 vertoonde zij echter gedragingen die aanleiding gaven tot een laatste waarschuwing en uiteindelijk tot ontslag wegens functieongeschiktheid. Deze gedragingen betroffen onder meer het bevragen van politiesystemen voor privédoeleinden, omgang met een partner met strafrechtelijke antecedenten, en het belemmeren van politieambtenaren.
Na een negatief betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek (BGO) en een buiten-functie-stelling, verleende de korpschef appellante eervol ontslag wegens ongeschiktheid op grond van artikel 94 Barp Pro. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door de rechtbank Rotterdam, waarna zij in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante niet beschikt over de mentaliteit en eigenschappen die voor haar functie vereist zijn. Het subsidiaire betoog dat de korpschef had moeten onderzoeken of er sprake was van ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek, wordt verworpen omdat de klachten het gevolg zijn van spanningen met de werkgever. De korpschef heeft in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot ontslag wegens functieongeschiktheid. Het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag wegens functieongeschiktheid bevestigd.