ECLI:NL:CRVB:2015:2393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Boete wegens niet melden werkzaamheden en terugvordering bijstand onder overgangsrecht WWB
Appellant ontving vanaf december 2008 bijstand en verrichtte vanaf december 2012 werkzaamheden zonder dit tijdig te melden aan het college. Het college trok de bijstand in en vorderde een bedrag van €6.321,01 terug, daarnaast werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de boete.
In hoger beroep stelde appellant dat hij zijn werkzaamheden wel had gemeld en dat het college al vanaf februari 2013 op de hoogte was, waardoor de boete niet proportioneel was. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de werkzaamheden had gemeld en dat het college terecht de boete oplegde. Wel werd geoordeeld dat voor de periode tot 1 januari 2013 het oude, lichtere sanctieregime van toepassing is vanwege overgangsrecht en verdragsrechtelijke bepalingen.
De Raad stelde de boete vast op €1.060, bestaande uit €280 voor de periode tot 1 januari 2013 en €776,65 voor de periode daarna tot 19 februari 2013, waarbij rekening werd gehouden met verminderde verwijtbaarheid en gedeeltelijke terugbetaling. De boete werd als evenredig en passend beoordeeld. Tevens werden proceskosten van €1.960 aan appellant toegekend.
Uitkomst: De boete wegens niet melden van werkzaamheden wordt vastgesteld op €1.060 en het beroep wordt gegrond verklaard.