Uitspraak
31 januari 2014, 13/4562 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
(…)
(…)
(…).”
BESLISSING
- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 32,20.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1989 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en viel in 2008 uit wegens ziekte. Na een periode van loondoorbetaling en een loonsanctie kende het UWV hem per 25 december 2012 een WGA-uitkering toe. De minister trok het eerder verleende reorganisatieontslag in en verleende per 1 maart 2013 eervol ontslag wegens arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 98 ARAR Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit ontslag ongegrond, waarbij het primaire standpunt van de minister werd verworpen maar het subsidiaire standpunt werd gevolgd dat duurzame re-integratie niet binnen redelijke termijn te verwachten was. Appellant stelde in hoger beroep dat de minister onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht en dat het ontslag onterecht was.
De Raad oordeelde dat de minister zich voldoende had ingespannen, onder meer via begeleiding en het aanbieden van passende functies, en dat het UWV-oordeel niet doorslaggevend is voor de ontslagvoorwaarde. Het hoger beroep van appellant en het incidenteel hoger beroep van de minister werden verworpen. De Raad bevestigde het eervol ontslag en veroordeelde de minister tot vergoeding van redelijke proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het eervol ontslag wegens arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.