Appellante ontving sinds 2001 een ANW-uitkering en een Wajong-uitkering. Aanvankelijk werd de Wajong-uitkering in mindering gebracht op de ANW-uitkering, maar in 2008 besloot de Sociale verzekeringsbank (Svb) dit niet meer te doen, waardoor appellante beide uitkeringen volledig ontving.
In 2012 informeerde de Svb appellante dat de korting van de Wajong-uitkering op de ANW-uitkering per 1 januari 2013 zou ingaan, met terugwerkende kracht. Dit leidde tot een halvering van het inkomen en terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen. Appellante voerde bezwaar aan en stelde dat de regeling kennelijk onredelijk was en dat de overgangstermijn onvoldoende was.
De rechtbank wees het beroep af, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de korting wettelijk was voorzien en een legitiem doel diende, namelijk het voorkomen van cumulatie van uitkeringen boven het sociaal minimum. De Raad stelde echter vast dat de overgangstermijn van twee jaar onvoldoende was omdat de informatievoorziening aan betrokkenen te laat en onvoldoende was geweest.
Daarom bepaalde de Raad dat de overgangstermijn pas begint bij de persoonlijke berichtgeving aan de betrokkene en dat deze termijn één jaar bedraagt, gezien de ingrijpende inkomensdaling en het gebrek aan transparantie. De besluiten van 18 januari 2013 werden vernietigd en de Svb werd veroordeeld in de proceskosten.