ECLI:NL:CRVB:2015:3656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens ontbreken dakloosheid
Appellant, van Tibetaanse afkomst en zonder rechtmatig verblijf in Nederland, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor toelating tot maatschappelijke opvang, met name omdat hij niet feitelijk dakloos was.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant stelde onder meer dat artikel 8 EVRM Pro onvoldoende werd toegepast door de rechtbank.
De Raad oordeelde dat op grond van de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 appellant geen aanspraak kon maken op maatschappelijke opvang. Gedurende de relevante periode was niet gebleken van dakloosheid of dreiging daarvan, omdat appellant bij vrienden en kennissen verbleef die hem ook van voedsel voorzagen. Daarom was er geen noodzaak voor opvang of leefgeld.
Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door H.J. de Mooij en uitgesproken op 21 oktober 2015.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang wordt bevestigd wegens ontbreken van feitelijke dakloosheid.