ECLI:NL:CRVB:2015:3744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens ontbreken dakloosheid
Appellant, van Tibetaanse afkomst en zonder rechtmatig verblijf in Nederland, diende op 23 augustus 2012 een aanvraag in voor maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 25 september 2012 afgewezen, en het bezwaar van appellant werd op 19 februari 2013 ongegrond verklaard omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang, met name omdat hij niet feitelijk dakloos was.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant onderdak had bij vrienden en kennissen binnen de Tibetaanse gemeenschap. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij in een uitzichtloze situatie verkeerde en niet in zijn levensonderhoud kon voorzien, en dat het college hem daarom had moeten toelaten tot de maatschappelijke opvang.
De Raad overwoog dat op grond van de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 appellant geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang. De Raad bevestigde dat gedurende de relevante periode van 23 augustus 2012 tot en met 19 februari 2013 geen sprake was van feitelijke dakloosheid of concrete dreiging daarvan, omdat appellant verbleef bij vrienden en kennissen. Daarom was er geen positieve verplichting voor het college om opvang te bieden op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang wegens het ontbreken van feitelijke dakloosheid.