ECLI:NL:CRVB:2015:3744

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2015
Publicatiedatum
28 oktober 2015
Zaaknummer
14/719 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuningVreemdelingenwet 2000Artikel 8 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens ontbreken dakloosheid

Appellant, van Tibetaanse afkomst en zonder rechtmatig verblijf in Nederland, diende op 23 augustus 2012 een aanvraag in voor maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 25 september 2012 afgewezen, en het bezwaar van appellant werd op 19 februari 2013 ongegrond verklaard omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang, met name omdat hij niet feitelijk dakloos was.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant onderdak had bij vrienden en kennissen binnen de Tibetaanse gemeenschap. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij in een uitzichtloze situatie verkeerde en niet in zijn levensonderhoud kon voorzien, en dat het college hem daarom had moeten toelaten tot de maatschappelijke opvang.

De Raad overwoog dat op grond van de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 appellant geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang. De Raad bevestigde dat gedurende de relevante periode van 23 augustus 2012 tot en met 19 februari 2013 geen sprake was van feitelijke dakloosheid of concrete dreiging daarvan, omdat appellant verbleef bij vrienden en kennissen. Daarom was er geen positieve verplichting voor het college om opvang te bieden op grond van artikel 8 EVRM Pro.

Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang wegens het ontbreken van feitelijke dakloosheid.

Uitspraak

14/719 WMO
Datum uitspraak: 21 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 december 2013, 13/1550 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren [in] 1988, is van Tibetaanse afkomst en is in 2009 Nederland binnengekomen. Hij heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning gedaan, maar deze is afgewezen. Appellant is uitgeprocedeerd en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.
1.2.
Op 23 augustus 2012 heeft appellant bij het college een aanvraag ingediend voor onder meer maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 25 september 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 september 2012 ongegrond verklaard, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wmo. Hierbij heeft het college zich onder meer op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van feitelijke dakloosheid en dat dit een eventuele aanspraak op maatschappelijke opvang in de weg staat.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat appellant feitelijk onderdak heeft gehad bij vrienden en kennissen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het college hem had moeten toelaten tot de maatschappelijke opvang, omdat hij zich in een uitzichtloze situatie bevindt, waarbij hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat appellant op grond van het bepaalde in de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang. In zijn uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, heeft de Raad uiteengezet hoe de bevoegdheden terzake van de opvang van vreemdelingen verdeeld zijn sinds de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
22 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2099, 10 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:86, en 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722. Ingevolge de uitspraak van de Raad van
16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, geldt deze bevoegdheidsverdeling voor aanvragen om maatschappelijke opvang die gedaan zijn na 24 februari 2014, omdat de nieuwe verdeling toen voldoende vaste vorm had aangenomen en aanvragers daarmee voor die tijd niet bekend konden zijn. Dit betekent dat op de beoordeling van de aanspraken van appellant nog het recht van toepassing is, zoals dat voor de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014 gold.
4.2.
De Raad is op grond van het navolgende van oordeel dat in de situatie van appellant geen sprake is van een situatie waarbij voor het college de positieve verplichting geldt om appellant op basis van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opvang te bieden.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de periode van belang de periode van 23 augustus 2012 tot en met 19 februari 2013 betreft. Gedurende deze periode is niet gebleken van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid bij appellant. Appellant heeft in die periode verbleven op verschillende adressen bij vrienden en kennissen binnen de Tibetaanse gemeenschap. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak ontbrak om appellant toe te laten tot de maatschappelijke opvang, dan wel om appellant leefgeld te verstrekken om zelf in opvang te kunnen voorzien.
4.4.
Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er is daarom geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2015.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) W. de Braal

UM