ECLI:NL:CRVB:2015:4594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering nadat zij ziek was gemeld bij haar vermeende werkgever [O. B.V.]. Het UWV weigerde de uitkering omdat zij geen verzekeringsplichtige arbeid had verricht, aangezien er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar oordeelde inhoudelijk dat het frauderapport van het UWV voldoende grondslag bood om het standpunt van het UWV te ondersteunen.
Het frauderapport toonde aan dat appellante en haar echtgenoot werkzaamheden verrichtten in hun garage, zonder duidelijke loonbetalingen en met administratieve onregelmatigheden. De rechtbank hechtte weinig waarde aan het arbeidscontract en de loonbetalingen, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen van appellante en het ontbreken van salarisbetalingen in april 2010.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel had gewerkt en loon had ontvangen, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. De Raad concludeerde dat het rapport werknemersfraude voldoende bewijs leverde dat appellante geen werknemer was in de zin van de Ziektewet en Wet WIA, en bevestigde daarom de geweigerde WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.