ECLI:NL:CRVB:2017:4253
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken arbeidsovereenkomst met werkgever
Appellante verrichtte huishoudelijke werkzaamheden en vroeg een WW-uitkering aan na beëindiging van haar werkzaamheden. Het UWV weigerde de uitkering omdat zij niet op basis van een arbeidsovereenkomst had gewerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding met de vermeende werkgever.
In hoger beroep stelde appellante dat er wel een arbeidsovereenkomst bestond, onderbouwd met arbeidsovereenkomsten, salarisspecificaties en belastingaanslagen. Het UWV handhaafde haar standpunt na nader onderzoek. De Raad concludeerde dat de arbeidsovereenkomsten met cliënten als werkgevers waren gesloten en dat de vermeende werkgever slechts als bemiddelaar fungeerde zonder gezagsverhouding.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een gezagsverhouding en het feit dat premies op het loon niet aantonen dat er een arbeidsovereenkomst was, leiden tot bevestiging van de eerdere uitspraak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het ontbreken van een arbeidsovereenkomst.