ECLI:NL:CRVB:2015:4940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden
Appellante diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering op grond van langdurige lichamelijke klachten sinds haar jeugd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag in 2011 af omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Een bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. In 2013 verzocht appellante om herziening van deze besluiten, maar het Uwv handhaafde de afwijzing, stellende dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat er wel nieuwe feiten waren, zoals medische rapporten en een verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat niet eerder was uitgevoerd. De Raad oordeelde echter dat de aangeleverde medische stukken onvoldoende waren om te spreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro.
De Raad benadrukte dat de oorspronkelijke aanvraag en bezwaarprocedure de mogelijkheid boden om medische gegevens aan te leveren en dat de nieuwe rapporten van Instituut Psychosofia niet medisch relevant zijn voor de beoordeling. Ook is volgens de Raad geen sprake van een latere datum van arbeidsongeschiktheid op basis van medische gegevens. Het beroep op de Wet Amber-bepalingen werd eveneens verworpen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. De rechtbank had het besluit terecht in stand gelaten en het hoger beroep slaagde niet.
Uitkomst: De aanvraag voor een Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.