Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:4940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2015
Publicatiedatum
31 december 2015
Zaaknummer
14/696 WWAJ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden

Appellante diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering op grond van langdurige lichamelijke klachten sinds haar jeugd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag in 2011 af omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Een bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. In 2013 verzocht appellante om herziening van deze besluiten, maar het Uwv handhaafde de afwijzing, stellende dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat er wel nieuwe feiten waren, zoals medische rapporten en een verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat niet eerder was uitgevoerd. De Raad oordeelde echter dat de aangeleverde medische stukken onvoldoende waren om te spreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro.

De Raad benadrukte dat de oorspronkelijke aanvraag en bezwaarprocedure de mogelijkheid boden om medische gegevens aan te leveren en dat de nieuwe rapporten van Instituut Psychosofia niet medisch relevant zijn voor de beoordeling. Ook is volgens de Raad geen sprake van een latere datum van arbeidsongeschiktheid op basis van medische gegevens. Het beroep op de Wet Amber-bepalingen werd eveneens verworpen.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. De rechtbank had het besluit terecht in stand gelaten en het hoger beroep slaagde niet.

Uitkomst: De aanvraag voor een Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

14/696 WWAJ
Datum uitspraak: 30 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
16 januari 2014, 13/2731 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. W.C. de Jonge, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren [in] 1979, heeft op 6 juni 2011 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) wegens sinds voor haar 17e levensjaar en sinds 2006 bestaande lichamelijke klachten. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 5 juli 2011 vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering op de grond dat zij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 29 september 2011 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
1.2.
Bij brief van 22 januari 2013 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van de besluiten van 5 juli 2011 en 29 september 2011. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Uwv verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 18 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 april 2013 (bestreden besluit), heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek van appellante afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van de besluiten van 5 juli 2011 en 29 september 2011.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. Ten onrechte heeft het Uwv niet meegewogen dat appellante als studerende in 2006 ook in aanmerking had kunnen komen voor een Wajong-uitkering. De oorspronkelijke aanvraag is afgewezen zonder onderzoek door een verzekeringsarts, terwijl het Uwv inmiddels wel verzekeringsgeneeskundig onderzoek laat verrichten bij laattijdige Wajong-aanvragen. Daarnaast was appellante tijdens haar werkzame leven veelvuldig ziek en functioneerde zij onvoldoende. Daarom had haar Wajong-aanvraag niet enkel op basis van een arbeidskundig onderzoek mogen worden afgewezen. Volgens de informatie van de longarts uit 2009 had appellante last van gewrichtsklachten. Ten onrechte is dit niet meegewogen in de beoordeling door de verzekeringsarts. De rechtbank had niet mogen overwegen dat de informatie, die in de haar voorgelegde medische stukken lag, reeds bekend was, zonder dat zij beschikte over een beoordeling daarvan door een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Zoals is overwogen in de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. De aanvraag van appellante strekt ertoe dat het Uwv terugkomt, dan wel overgaat tot heroverweging, van het besluit van 5 juli 2011, waarbij is vastgesteld dat appellante geen recht had op een Wajong-uitkering. De aanvraag van appellante moest overeenkomstig zijn strekking ook worden opgevat als verzoek om toekenning van een Wajong-uitkering voor de periode na de melding van 22 januari 2013, alsmede een verzoek om, als gevolg van een verslechterde gezondheid, op een ander tijdstip in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet Wajong.
4.2.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat appellante ter onderbouwing van haar aanvraag en haar bezwaar naar voren heeft gebracht, niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Appellante had haar argumenten naar voren kunnen brengen in de bezwaarprocedure tegen het besluit van
5 juli 2011, dan wel in een mogelijke beroepsprocedure tegen het besluit van
29 september 2011. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voordoen, heeft appellante geen medische stukken overgelegd. Wat betreft het door appellante in bezwaar overgelegde rapport van Instituut Psychosofia geldt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG4571) dat de voor de toepassing van de WAO - en in dit geval de Wet Wajong - relevante arbeidsbeperkingen ook op de in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld. Dit rapport biedt daarom in medisch opzicht geen aanknopingspunt voor de conclusie dat zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb hebben voorgedaan. Ook overigens blijkt uit dit rapport niet dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling die aan het besluit van 18 februari 2013 ten grondslag is gelegd en is gehandhaafd bij het bestreden besluit onjuist is. De door appellante in hoger beroep ingezonden rapporten van Instituut Psychosofia dienen, gelet op het karakter van het hier behandelde aspect van de aanvraag, buiten beschouwing te worden gelaten.
4.2.2.
De uitspraak van 20 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1816) levert evenmin een nieuw feit of veranderde omstandigheid op. In die uitspraak is overwogen dat ook in het geval van een laattijdige aanvraag in het kader van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong waarbij de betrokkene een arbeidsverleden heeft, een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats dient te vinden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3912) vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen rechtspraak op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het in rechte onaantastbaar zijn geworden van besluiten. Bij een nieuw feit of veranderde omstandigheid dient het te gaan om een feit dat of omstandigheid die ziet op het oorspronkelijke besluit. Daaraan is in dit geval niet voldaan.
4.2.3.
Het Uwv was daarom, wat betreft het oorspronkelijke besluit van 5 juli 2011, bevoegd om het verzoek om herziening van 22 januari 2013 onder verwijzing naar dat besluit af te wijzen. De rechtbank kon tot haar oordeel komen dat de door appellante overgelegde stukken geen nieuwe informatie bevatten, zonder dat zij gehouden was daarover het oordeel in te winnen van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat uitoefening van die bevoegdheid door het Uwv de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Hetgeen appellante hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
4.3.1.
Appellante heeft bij haar aanvraag geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, hoewel geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, aanleiding hadden moeten geven tot nader onderzoek door het Uwv en die konden bijdragen aan het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit waarvan herziening is gevraagd, niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend. Aan de inhoud van de genoemde rapporten van Instituut Psychosofia kan niet de waarde worden gehecht die appellante daaraan gehecht wenst te zien, omdat de daarin vermelde argumenten in het verlengde liggen van de argumenten van appellante (zie de uitspraak van 20 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9251). Desondanks heeft het Uwv, gelet op de genoemde uitspraak van 20 september 2013, bezien of appellante op medische gronden op haar 17e en 18e verjaardag dan wel vanaf 2006 en 52 weken daarna beperkingen had als gevolg van ziekte of gebrek. In zijn rapporten van 5 oktober 2015 en 25 november 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep die vraag ontkennend beantwoord. Uit de informatie van de longartsen en huisarts komt naar voren dat appellante op haar 17e verjaardag bekend was met een vrij zeldzame vaataandoening (de ziekte van Rendu Osler Weber), waarvoor zij in 1994 een operatie onderging. Zoals de longarts heeft benadrukt, kan in het specifieke geval van appellante alleen gesproken worden van invaliderende moeheidsklachten als bloedarmoede of zuurstoftekort in het bloed wordt vastgesteld. Daarvan is niet gebleken rond appellantes
17e en 18e jaar en evenmin daarna, zoals ook op de controle-afspraak bij de longarts op
11 september 2008 bleek. Bij controle door de longarts in 2006 werd een afwijking van de lymfeklieren gezien, waarna de diagnose sarcoïdose werd bevestigd. Structurele ernstig invaliderende moeheids- of andere lichamelijke klachten kwamen in 2006 niet naar voren. Weliswaar is in de medische informatie zo nu en dan melding gemaakt van moeheidsklachten, maar deze zijn te weinig specifiek en informatie over de duur of mate waarin de moeheid bestond, ontbreekt. Enkel op grond van deze onbepaalde moeheidsklachten kunnen geen beperkingen per een bepaalde datum in 2006 worden vastgesteld. Er kan dus volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen dag van eerste arbeidsongeschiktheid in 2006 worden vastgesteld.
4.3.2.
Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
5 oktober 2015 en 25 november 2015 op goede gronden uiteengezet dat de informatie van de behandelende artsen geen gegevens bevat die het Uwv ertoe had moeten leiden om met ingang van een latere datum dan 22 januari 2013 appellante een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, omdat niet blijkt dat appellante op de datum waarop het besluit van 5 juli 2011 ziet meer beperkt had moeten worden geacht.
4.4.
Met betrekking tot appellantes beroep op de zogenoemde Wet Amber-bepalingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 5 oktober 2015 en 25 november 2015 uiteengezet dat vanaf appellantes 17e verjaardag dan wel haar studieperiode in 2006 geen wachttijd is vervuld, zodat evenmin een periode van vijf jaar na het einde van die wachttijd kan worden aangewezen waarin appellante alsnog aanspraak zou kunnen maken op een Wajong-uitkering. Er is geen reden om te twijfelen aan dit oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.5.
Het Uwv mocht de aanvraag van appellante dan ook afwijzen en het besluit op de aanvraag na bezwaar handhaven. Het hoger beroep slaagt dan ook niet. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten.
5. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.
6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

TM