ECLI:NL:CRVB:2015:4980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis
Appellante was werkzaam bij verschillende werkgevers en viel op 7 december 2009 uit. Zij ontving een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 5 december 2011. Vanaf 6 maart 2012 werkte zij via een uitzendbureau als medewerker pensioenen, maar meldde zich op 25 april 2012 ziek. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe die op 19 juli 2012 werd beëindigd omdat zij weer geschikt werd verklaard.
Op 20 juli 2012 vroeg appellante een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat zij in de 36 weken voorafgaand aan haar werkloosheid niet in ten minste 26 weken had gewerkt. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar eerdere gewerkte weken bij andere werkgevers meegeteld moesten worden, maar de Raad oordeelde dat deze weken niet konden worden meegeteld omdat zij al waren gebruikt voor het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 december 2015.
Uitkomst: De afwijzing van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat appellante niet voldoet aan de referte-eis.