ECLI:NL:CRVB:2016:1062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking langdurigheidstoeslag en boete wegens niet melden gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand en diverse tegemoetkomingen, waaronder langdurigheidstoeslag, maar meldde niet dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met G in haar woning. Na een anonieme melding voerde de gemeente een onderzoek uit, waarbij onder meer huisbezoeken en verbruiksgegevens werden verzameld. Op basis hiervan besloot het college de bijstand en tegemoetkomingen in te trekken en terug te vorderen over de periode 2006 tot en met augustus 2013.
Appellant voerde aan dat hij niet zijn hoofdverblijf had in de woning van G en dat zijn eerdere verklaringen uit hun verband waren gehaald. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant, ondersteund door het lage waterverbruik en de bevindingen tijdens het huisbezoek, voldoende bewijs vormden dat hij en G een gezamenlijke huishouding voerden. Ook was sprake van wederzijdse zorg, zoals blijkt uit de verklaringen over gezamenlijke boodschappen en verzorging.
De Raad verwierp het beroep tegen de intrekking en terugvordering en bevestigde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden. Ook het beroep tegen de boete werd afgewezen, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid. De boete werd gehandhaafd op het niveau vastgesteld door de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraken van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van langdurigheidstoeslag en de opgelegde boete wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.