ECLI:NL:CRVB:2016:3021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
Betrokkene ontving sinds 1998 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een anonieme melding is onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij is vastgesteld dat betrokkene in de periode van 2001 tot 2009 werkzaamheden verrichtte in de kantine van een school. Betrokkene heeft deze werkzaamheden niet gemeld en geen verifieerbare gegevens verstrekt over de omvang ervan.
Het college heeft de bijstand over deze periode ingetrokken en de kosten teruggevorderd. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd. In hoger beroep heeft betrokkene aangevoerd dat hij de werkzaamheden niet als op geld waardeerbaar zag vanwege zijn slechte gezondheid en dat hij geen vergoeding ontving. Ook stelde hij dat hij was vrijgesteld van de sollicitatieplicht en dat hij de werkzaamheden met zijn klantmanager had besproken.
De Raad oordeelt dat de werkzaamheden wel op geld waardeerbaar waren, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en de vrijstelling van sollicitatieplicht faalt omdat betrokkene geen ondubbelzinnige toezegging kon aantonen en de inlichtingenverplichting objectief is. Door het niet melden van de werkzaamheden is de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.