ECLI:NL:CRVB:2016:3151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande. Naar aanleiding van onderzoek door de sociale recherche naar het vermeende samenwonen met M, concludeerde het college dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Het college trok de bijstand over de periode 2005-2013 in en vorderde het bedrag van €135.332,53 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de onderzoeksresultaten, waaronder verklaringen van appellante en M, voldoende feitelijke grondslag boden voor de conclusie van een gezamenlijke huishouding. Beide verklaarden onder meer dat M al acht tot negen jaar bij appellante woonde, zij zorgden voor elkaar, deelden kosten en gebruikten elkaars bankpassen.
De Raad verwierp de bezwaren van appellante dat de verklaringen onrechtmatig waren verkregen of onder druk waren afgelegd. Ook werd geen zelfstandige grond voor het terugvorderen van de bijstand aangevoerd. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.