ECLI:NL:CRVB:2016:3877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging IOAW-uitkering door toepassing kostendelersnorm bij samenwoning met bloedverwant
Appellant ontvangt een IOAW-uitkering en woont samen met zijn moeder, een bloedverwant in de eerste graad. Het college heeft zijn uitkering verlaagd vanwege de kostendelersnorm, die sinds 1 juli 2015 ook in de IOAW geldt. Appellant betwist deze verlaging en stelt dat het onderscheid tussen samenwonenden met familieleden en niet-familieleden in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro.
De Raad overweegt dat de kostendelersnorm is ingevoerd om rekening te houden met kostenbesparing bij samenwonen en dat uitzonderingen gelden voor zakelijke relaties met commerciële prijsafspraken. Bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad zijn bewust uitgesloten van deze uitzondering vanwege fraudegevoeligheid en het voorkomen van schijnconstructies.
De Raad oordeelt dat het onderscheid geen verdacht onderscheid is en dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft. De beperking is objectief gerechtvaardigd en proportioneel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen wegens gebrek aan bewijs dat appellant zijn woning moet verlaten.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de IOAW-uitkering op grond van de kostendelersnorm bij samenwoning met een bloedverwant.