ECLI:NL:CRVB:2016:4416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en beëindiging van bijstand op grond van artikel 54 WWB
Betrokkene ontving sinds mei 2012 bijstand op grond van de WWB. Na een rechtmatigheidsonderzoek verzocht het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven betrokkene om bankafschriften te overleggen. Betrokkene leverde deze niet volledig aan, waarop het college de bijstand opschortte en later introk met toepassing van artikel 54, vierde lid, WWB. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit voor zover het de beëindiging van de bijstand betrof, omdat de ontbrekende gegevens in bezwaar alsnog waren overgelegd en dit had moeten worden betrokken.
Het college stelde hoger beroep in tegen dit oordeel, stellende dat de intrekking met ingang van de datum van het besluit ook de beëindiging van de bijstand inhoudt en dat het ontbreken van een afzonderlijk beëindigingsbesluit niet tot een ander oordeel leidt. Betrokkene stelde incidenteel hoger beroep in tegen de intrekking zelf, met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en verwijtbaarheid.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd is de bijstand met terugwerkende kracht te beëindigen op grond van artikel 54, vierde lid, WWB. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt omdat de wettelijke regeling duidelijk is. Ook de stelling dat betrokkene het niet volledig overleggen niet kan worden verweten wordt verworpen, omdat betrokkene voldoende gelegenheid had om de gevraagde gegevens te verstrekken. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het college gegrond, terwijl het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond; de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.