ECLI:NL:CRVB:2016:4656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en boete wegens niet gemelde handelsactiviteiten op bazaar
Appellanten ontvingen bijstand sinds 1994 en werden na een anonieme melding onderzocht vanwege vermoedelijke handelsactiviteiten op een bazaar. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens niet gemelde inkomsten uit kraamhuur en werkzaamheden op markten. De rechtbank had het boetebedrag vastgesteld op €2.643,92, maar het hoger beroep richtte zich op de juistheid van deze boete.
De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant een kraam had gehuurd en dat handelsactiviteiten vanuit die kraam werden verricht, maar dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat appellant in februari 2013 zelf voor eigen rekening en risico handelde. Hierdoor kon de boete voor die maand niet gehandhaafd worden. Voor mei 2013 werd wel een boete opgelegd vanwege niet gemelde werkzaamheden op een rommelmarkt.
De Raad stelde de boete vast op €350, de helft van het benadelingsbedrag over mei 2013, en wees verdere matiging af. Daarnaast veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellanten en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd vergoed. De intrekking en terugvordering van bijstand voor de overige maanden bleven gehandhaafd.
Uitkomst: Boete wordt vastgesteld op €350, intrekking en terugvordering bijstand blijven gehandhaafd voor overige maanden.