Uitspraak
24 februari 2015, 14/5347 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een flexwerker met een WW-uitkering gebaseerd op 40,75 uur per week, werkte gemiddeld 28 tot 30 uur per week en had vanaf maart 2010 een ontheffing van de sollicitatieplicht. Het UWV beëindigde deze ontheffing per 1 juli 2014 en verklaarde het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn functie als bagagemedewerker op Schiphol flexibiliteit vereist en dat de sollicitatieplicht zijn huidige baan zou beperken. Tevens voerde hij aan dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat zijn omstandigheden niet waren veranderd. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad oordeelde dat de sollicitatieplicht voortvloeit uit artikel 24 van Pro de WW en dat het UWV bevoegd is om ontheffing te verlenen in bijzondere gevallen, zoals calamiteiten of mantelzorg, wat hier niet aan de orde was. De omstandigheden van appellant waren niet uitzonderlijk genoeg om ontheffing te rechtvaardigen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van de ontheffing van de sollicitatieplicht bevestigd.