ECLI:NL:CRVB:2017:1003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens kasstortingen als inkomen
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en werd geconfronteerd met een herziening van haar bijstandsuitkering over de periode 1 juli tot en met 30 september 2014. Het college stelde vast dat er kasstortingen op haar bankrekening waren gedaan, die als inkomen moesten worden aangemerkt. Appellante verklaarde dat zij geld van haar moeder had geleend en dit bedrag (deels) had doorgeleend aan haar ex-partner, die de stortingen op haar rekening had gedaan ter aflossing van die lening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde dat de stortingen als inkomen moesten worden beschouwd. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij de bedragen niet als inkomen kon aanmerken omdat het terugbetalingen van een lening betrof en zij de inlichtingenverplichting niet had geschonden.
De Raad oordeelde dat kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening in beginsel als middelen worden beschouwd volgens vaste rechtspraak en dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Het doorlenen van bedragen verandert hieraan niets. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen werd afgewezen omdat appellante onvoldoende medische of financiële onaanvaardbare gevolgen aannemelijk had gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.