Uitspraak
OVERWEGINGEN
.In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2008 bijstand en werd onderzocht in het kader van het project Heronderzoek WWB 2015. Het college ontdekte kasstortingen en bijschrijvingen op haar en haar dochter's bankrekeningen tussen juni 2014 en maart 2015 die niet waren gemeld. Het college herzag de bijstand en vorderde teveel betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep betoogde appellante dat het om geleende bedragen ging en dat deze bestemd waren voor woningverbouwing, waardoor ze niet als inkomen zouden moeten worden aangemerkt. De Raad verwierp deze gronden omdat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip en appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de bedragen voor de verbouwing waren gebruikt.
De Raad oordeelde dat de kasstortingen gezien de omvang en het terugkerend karakter als inkomen moeten worden beschouwd en dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door deze niet te melden. De herziening en terugvordering van bijstand zijn daarom terecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.