ECLI:NL:CRVB:2017:1117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken dringende ontslagreden
Betrokkene was sinds 1998 in dienst als docent bij appellante. Na een negatieve beoordeling over 2012-2013 heeft appellante de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens slecht functioneren en gedragsproblemen, waaronder pesten en discriminatie. Na een periode van ziekte en vrijstelling van werk is de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2014 beëindigd.
Betrokkene vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd toegekend maar waartegen appellante bezwaar maakte. De rechtbank oordeelde dat er geen subjectieve dringende reden voor ontslag was, omdat appellante pas ruim zes maanden na de beoordeling van het functioneren betrokkene van werk had vrijgesteld en tussentijds geen andere maatregelen had genomen.
In hoger beroep stelde appellante dat het voortzetten van werkzaamheden tijdens de opzegtermijn niet afdoet aan de dringende reden. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat de periode tussen beoordeling en ontslag te lang was om van een dringende reden te spreken. Daarmee is geen sprake van verwijtbare werkloosheid en is het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen subjectieve dringende reden voor ontslag bestond en verklaart het beroep ongegrond.