Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:1471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2017
Publicatiedatum
18 april 2017
Zaaknummer
15/7815 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij indicatie AWBZ

Appellante heeft op 16 januari 2014 een indicatie voor zorg aangevraagd onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het CIZ heeft op 11 februari 2014 een indicatie toegekend met een looptijd tot 10 februari 2029, maar bij een besluit van 24 december 2014 is deze indicatie verkort en het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Overijssel heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Het CIZ stelde dat appellante geen procesbelang had omdat zij inmiddels onder de Wet langdurige zorg (Wlz) is geïndiceerd voor onbepaalde tijd.

De Raad bevestigt dat procesbelang ontbreekt wanneer het resultaat van het beroep niet kan leiden tot daadwerkelijke zorgverlening in het verleden of toekomst, zeker nu de AWBZ is ingetrokken per 1 januari 2015. Omdat appellante reeds geïndiceerd is onder de Wlz en geen ander procesbelang heeft, verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

15/7815 AWBZ
Datum uitspraak: 12 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
13 november 2015, 15/11 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Mercanoǧlu, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft appellante om nadere informatie gevraagd.
Appellante heeft de Raad een nader bericht gestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 16 januari 2014 een indicatie voor zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aangevraagd.
1.2.
CIZ heeft bij besluit van 11 februari 2014 op die aanvraag beslist. Appellante is daarbij geïndiceerd voor de zorgfuncties begeleiding individueel klasse 2, begeleiding groep klasse 5 en persoonlijke verzorging klasse 1, voor de periode van 11 februari 2014 tot en met
10 februari 2029.
1.3.
Bij besluit van 24 december 2014 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2014 ongegrond verklaard. Daarbij heeft CIZ de einddatum van de indicatie voor de zorgfunctie begeleiding individueel gewijzigd in 10 februari 2016, en voor de zorgfuncties begeleiding groep en persoonlijke verzorging in 24 maart 2015.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
3.2.
In verweer heeft CIZ het procesbelang van appellante aan de orde gesteld omdat appellante bij besluiten van 26 augustus 2016 en 13 oktober 2016 is geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), waarbij zij met ingang van 25 augustus 2016, en met ingang van 13 oktober 2016 voor onbepaalde tijd, is geïndiceerd voor het zorgprofiel Beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging.
3.3.
Appellante heeft de Raad daarop verzocht de zaak op de ingediende stukken af te doen.
4.1.
In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken indicatie, tenzij aannemelijk is dat schade is geleden dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige indicatie.
4.2.
De Raad stelt vast dat appellante met haar hoger beroep niet kan bereiken dat aan haar over de periode in het verleden alsnog feitelijk de zorg wordt verleend waarop zij in deze procedure meent recht te hebben. In zoverre ontbreekt procesbelang. Voorts stelt de Raad vast dat het hoger beroep evenmin betekenis voor de toekomst kan hebben nu de AWBZ met ingang van
1 januari 2015 is ingetrokken en appellante inmiddels is geïndiceerd voor zorg op grond van de Wlz. Ook in zoverre ontbreekt procesbelang. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellante anderszins nog een procesbelang heeft.
4.3.
Uit wat bij 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2017.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) B. Dogan

RB