ECLI:NL:CRVB:2017:1650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende gemotiveerde begeleidingsbehoefte in Wajong-zaak
Appellant, geboren in 1988, vroeg op grond van de Wajong 2010 arbeids- en inkomensondersteuning aan vanwege psychische klachten die voor zijn 17e bestonden. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant naar hun oordeel meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige beoordeling.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijkheidsstoornis en dat hij intensieve begeleiding nodig heeft, meer dan een jobcoach kan bieden. Hij betwistte ook de hoogte van de gehanteerde uurlonen en vorderde wettelijke rente.
De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen consistent waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De uurlonen waren volgens vaste rechtspraak juist. De Raad benadrukte dat de rol van een jobcoach in de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet relevant is en dat de arbeidsdeskundige onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de begeleidingsbehoefte van appellant zonder jobcoach kan worden ingevuld.
De Raad stelde ook de vraag of appellant niet veeleer aangewezen is op werk onder beschutte omstandigheden. Daarom droeg de Raad het UWV op binnen zes weken het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 april 2017.
Uitkomst: Het UWV moet binnen zes weken het gebrek in het besluit over de begeleidingsbehoefte van appellant herstellen.