Appellante, woonachtig in Nederland met haar echtgenoot en drie kinderen, was verzekerd via een Franse ziektekostenverzekering via de werkgever van haar echtgenoot, die gedetacheerd was naar een ander land vanuit Zwitserland. CAK legde boetes op omdat appellante en haar kinderen volgens CAK verplicht zouden zijn een Nederlandse zorgverzekering af te sluiten op grond van de AWBZ en Zvw. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de boetes strijdig waren met Europese regelgeving, met name Verordening (EG) nr. 883/2004, die bepaalt dat bij detachering het recht van het werkland prevaleert. De Raad concludeerde dat Zwitserland de bevoegde lidstaat was en dat appellante en haar kinderen als gezinsleden onder het afgeleide recht vielen, waardoor zij niet verplicht waren een Nederlandse zorgverzekering af te sluiten.
De Raad oordeelde dat CAK ten onrechte aannam dat de verzekeringsplicht in Nederland bestond en vernietigde de bestreden besluiten en de uitspraak van de rechtbank. De boetes werden herroepen en appellante werd het betaalde griffierecht vergoed.