ECLI:NL:CRVB:2003:AI0054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Herziening besluit WW-uitkering na bezwaar met gewijzigde grondslag vereist zorgvuldige procedure
De zaak betreft een geschil over de weigering van een WW-uitkering per 1 december 1999. De rechtbank had geoordeeld dat het besluit van 28 maart 2000 een nieuw primair besluit was, omdat het op een andere grondslag en feitencomplex was gebaseerd dan het oorspronkelijke besluit van 24 december 1999. Hierdoor moest eerst de bezwaarprocedure worden gevolgd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het besluit op bezwaar een heroverweging is op grond van artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, en dus niet snel als een nieuw primair besluit mag worden aangemerkt. Het feit dat andere feiten en overwegingen aan het besluit ten grondslag liggen, sluit dit niet uit.
Wel stelt de Raad dat bij ingrijpende wijzigingen in het standpunt, zoals hier de wijziging van tijdelijke naar blijvende weigering wegens verwijtbare werkloosheid, zorgvuldigheid vereist dat de betrokkene voorafgaand aan het nieuwe besluit de gelegenheid krijgt om te reageren. Dit is in deze zaak onvoldoende gebeurd, waardoor het besluit op bezwaar niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en beveelt appellant een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid. Tevens wordt appellant veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van gedaagde.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd; appellant moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van hoor en wederhoor.