Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Appellant heeft immers niet onderbouwd dat hij als gevolg hiervan een op geld waardeerbaar nadeel heeft gehad.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werd in 2007 ontslagen wegens onbekwaamheid, maar dit ontslag werd in 2012 herroepen. Vervolgens werd appellant in 2012 opnieuw ontslagen met een ontslagvergoeding. In 2014 kende het college een nabetaling toe van bezoldiging en reiskosten over de periode 2007-2012, maar trok daarbij inkomsten die appellant elders had genoten af. Het bezwaar van appellant tegen deze nabetaling werd in 2014 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het bestreden besluit, met het oordeel dat appellant recht had op vergoeding van niet opgenomen vakantieverlof over 2007 en 2008. Zowel appellant als het college gingen in hoger beroep tegen delen van deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat appellant recht heeft op een hogere reiskostenvergoeding dan het college berekende, omdat niet alle juiste bedragen waren meegenomen. De Raad wijst het beroep van appellant af voor de vergoeding van compensatieverlof, omdat dit niet tot een geldelijke aanspraak leidt. Voor het vakantieverlof oordeelt de Raad dat appellant alleen recht heeft op vergoeding van het niet opgenomen verlof over de periode 1 januari tot 15 april 2007, omdat hij daarna zijn functie niet daadwerkelijk vervulde en hij over 2007-2008 via ZW, WW en uitzendwerk al vakantieverlof opbouwde.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college het griffierecht vergoeden. Tegen het nieuwe besluit kan alleen beroep bij de Raad worden ingesteld.
Uitkomst: Het college moet een nieuwe beslissing nemen met een hogere reiskostenvergoeding en vergoeding van niet opgenomen vakantieverlof over begin 2007.