Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Appellant heeft immers niet onderbouwd dat hij als gevolg hiervan een op geld waardeerbaar nadeel heeft gehad.
Centrale Raad van Beroep
Appellant is in 2007 ontslagen door het college van burgemeester en wethouders van Zeist, maar dit ontslag is later herroepen. Na diverse besluiten over nabetaling en vergoeding van reiskosten en verlof, verklaarde de rechtbank het bezwaar van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het college. Het college stelde hoger beroep in tegen de vergoeding van vakantieverlof, appellant tegen de reiskostenvergoeding en compensatieverlof.
De Raad oordeelt dat appellant recht heeft op een hogere reiskostenvergoeding voor het traject van zijn woonplaats naar de gemeente waar hij werkte, maar dat de kosten van openbaar vervoer naar Zeist terecht in mindering zijn gebracht. Ten aanzien van compensatieverlof wijst de Raad het beroep van appellant af omdat uitbetaling niet mogelijk was en hij geen aantoonbaar nadeel had.
Voor vakantieverlof stelt de Raad vast dat appellant recht heeft op vergoeding van het opgebouwde en niet opgenomen verlof tot 15 april 2007, maar niet voor de periode daarna omdat hij toen zijn functie niet daadwerkelijk vervulde en recht had op verlof via Ziektewet, Werkloosheidswet of uitzendwerk. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen en bepaalt dat beroep tegen die beslissing alleen bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het college moet een hogere reiskostenvergoeding en vergoeding van niet opgenomen vakantieverlof toekennen en een nieuwe beslissing nemen.