ECLI:NL:CRVB:2017:3211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A. Stehouwer
- F. Hoogendijk
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm bij moeder en meerderjarige dochter met mantelzorgrelatie
Appellante ontvangt bijstand en woont samen met haar meerderjarige dochter, die eveneens bijstand ontvangt. Het college paste de kostendelersnorm toe, waardoor hun individuele bijstand werd verlaagd tot 50% van de gehuwdennorm per persoon. Appellante betoogde dat vanwege hun mantelzorgrelatie en medische klachten de kostendelersnorm niet passend was en dat zij onredelijk financieel werden benadeeld.
De Raad overwoog dat de kostendelersnorm van toepassing is op personen die samenwonen, ook als zij bloedverwanten in de eerste of tweede graad zijn met zorgbehoefte, en dat mantelzorgsituaties bewust niet zijn uitgezonderd. De voordelen van kosten delen gelden onafhankelijk van de reden van samenwoning. De wetgever heeft het doel van bijstand niet gericht op het stimuleren van mantelzorg.
Verder oordeelde de Raad dat de financiële situatie van appellante onvoldoende onderbouwd was om te concluderen dat toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt. Ook was geen reden om de overgangstermijn van zes maanden te verruimen, aangezien deze loopt vanaf 1 januari 2015 en niet vanaf de aanzegging. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding eveneens.
Uitkomst: De kostendelersnorm wordt toegepast op moeder en dochter die samenwonen en mantelzorg verlenen; het hoger beroep wordt afgewezen.