ECLI:NL:CRVB:2017:3352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande vanaf december 2012, terwijl D vanaf juni 2012 op hetzelfde adres verbleef. Het college stelde vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden, en besloot de bijstand per november 2013 te beëindigen en terug te vorderen over de periode vanaf augustus 2012.
Een sociaal rechercheur voerde onderzoek uit, waaronder dossieronderzoek, verbruiksgegevens en waarnemingen bij de woningen. D verklaarde dat hij zijn eigen woning had, maar daar weinig verbleef en veel tijd bij appellante doorbracht. Het lage waterverbruik op zijn adres ondersteunde het vermoeden dat hij daar niet woonde.
Appellante voerde aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg maar van een vriendendienst, en dat de verklaring van D onbetrouwbaar was. De Raad oordeelde dat de verklaring rechtsgeldig was en dat de feiten voldoende bewijs boden voor een gezamenlijke huishouding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.