ECLI:NL:CRVB:2017:3441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- M. Ter Brugge
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding deels vernietigd
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand omdat zij niet had gemeld dat zij met [X] een gezamenlijke huishouding voerde. Het dagelijks bestuur baseerde dit op waarnemingen en huisbezoeken.
De Raad beoordeelde of de waarnemingen een inbreuk op het recht op privéleven vormden en concludeerde dat deze proportioneel en subsidiariteit waren toegepast. Ook werd vastgesteld dat appellante ondanks cognitieve beperkingen gehouden kon worden aan haar verklaring.
De Raad maakte onderscheid tussen twee perioden: van 18 augustus tot 13 oktober 2014 was er onvoldoende feitelijke grondslag voor een gezamenlijke huishouding, terwijl vanaf 13 oktober 2014 wel voldoende bewijs was dat [X] zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De intrekking en terugvordering werden daarom deels vernietigd en deels gehandhaafd.
De Raad veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak vervangt het vernietigde besluit van 16 april 2015.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand deels vernietigd voor periode 18 augustus tot 13 oktober 2014, vanaf 13 oktober 2014 gehandhaafd.