Uitspraak
30 juni 2015, 14/11261 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant, met de Guinese nationaliteit, ontving vanaf juli 2013 bijstand op grond van de WWB. Na intrekking van zijn verblijfsvergunning per maart 2014 en afwijzing van zijn beroep daarop, trok het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn bijstand in vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de intrekking in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro, dat het recht niet mocht worden ingetrokken voordat de verblijfsprocedure was afgerond, en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. De Raad oordeelde dat deze gronden niet slaagden, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en het ontbreken van bijzondere omstandigheden zoals mensenhandel die bijzondere bescherming rechtvaardigen.
De Raad bevestigde dat appellant geen recht had op bijstand als vreemdeling zonder rechtmatig verblijf volgens artikel 16, tweede lid, WWB. Ook werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat geen grond bestond voor toewijzing. De uitspraak van de rechtbank Den Haag werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens ontbreken van rechtmatig verblijf wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.