Uitspraak
1 september 2015, 15/1150 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante had een vrijwillige verzekering afgesloten voor de WW en ZW, maar haar aanvraag voor een WW-uitkering werd door het Uwv afgewezen omdat zij laatstelijk in de Verenigde Staten werkte. Zij stelde dat het Uwv haar in 2003 onjuist had voorgelicht, waardoor zij onterecht premies betaalde en schade leed.
Het Uwv wees het schadeverzoek af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de afwijzing geen bestuursrechtelijk besluit was maar feitelijk handelen. De rechtbank oordeelde dat het besluit tot afwijzing van de WW-uitkering rechtmatig was en dat het schadeverzoek niet gebaseerd was op een bestuursrechtelijk besluit, zodat de bestuursrechter niet bevoegd was.
In hoger beroep bevestigde de Raad deze uitspraak. De Raad benadrukte dat het onjuist informeren kwalificeert als feitelijk handelen en niet als een besluit in de zin van de Awb. Hierdoor is het verzoek om schadevergoeding niet bestuursrechtelijk aanvechtbaar en behoort het tot de burgerlijke rechter.
De Raad wees ook op het overgangsrecht en dat de rechtspraak over nadeelcompensatie hier niet van toepassing is. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het schadeverzoek door het Uwv wordt bevestigd.