ECLI:NL:RBDHA:2023:14179

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 september 2023
Publicatiedatum
20 september 2023
Zaaknummer
SGR 22/5208
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:88 AwbArtikel 2.5 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechter onbevoegd voor schadevergoeding wegens feitelijke handeling UWV

Verzoekster ontving tussen 23 oktober 2020 en 2 november 2021 een Ziektewetuitkering. Zij stelt dat het UWV een fout maakte bij het inhouden van loonheffing, wat leidde tot naheffingsaanslagen over 2020 en 2021. Hierdoor zou zij financieel zijn benadeeld en verzocht zij het UWV om schadevergoeding. Het UWV wees dit verzoek af, stellende dat de naheffing een correctie is en er geen netto schade is.

Verzoekster diende vervolgens een verzoek in bij de bestuursrechter om het UWV te veroordelen tot schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat de bestuursrechter alleen bevoegd is bij schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandeling. De door verzoekster overgelegde jaaropgaven zijn echter geen besluiten in de zin van de Awb, en er is geen onrechtmatig besluit vastgesteld.

Daarom is de bestuursrechter onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Voor schade wegens feitelijke handelingen van een UWV-medewerker is de burgerlijke rechter bevoegd. De rechtbank wees erop dat vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bepaalt dat naheffing geen schade oplevert omdat het financiële nadeel per saldo niet bestaat.

De rechtbank verklaarde zich onbevoegd en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Verzoekster kan haar vordering alleen bij de burgerlijke rechter instellen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en bepaalt terugbetaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5208

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2023 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).

Procesverloop

Bij brief van 20 juli 2022 heeft verzoekster het Uwv verzocht om schadevergoeding.
Bij schadebesluit van 1 augustus 2022 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen.
Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2023. Verzoekster is met voorafgaande kennisgeving niet op de zitting verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. In de periode van 23 oktober 2020 tot 2 november 2021 heeft verzoekster een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW). Volgens verzoekster heeft het Uwv een fout gemaakt bij het inhouden van de loonheffing over die uitkering, wat volgens haar door een met name genoemde medewerker van het Uwv zou zijn erkend. De gestelde fout heeft er volgens verzoekster toe geleid dat zij over de belastingjaren 2020 en 2021 naheffingsaanslagen opgelegd heeft gekregen. De betaling daarvan heeft haar maandlasten zodanig verhoogd dat zij hierdoor beneden het bestaansminimum is gekomen en daardoor is aangewezen op het lenen van geld van mensen uit haar omgeving. Verzoekster heeft het Uwv daarom door middel van een verzoek om schadevergoeding verzocht om een tegemoetkoming.
2. Het Uwv heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat er geen schade is. Als de loonheffing te laag is, betekent dat automatisch dat de belanghebbende een hoger bedrag aan maandelijks inkomen heeft ontvangen. Dit wordt achteraf rechtgetrokken door de naheffing. Onderaan de streep is dus niet meer belasting en premie betaald dan wanneer deze eerder maandelijks was ingehouden, aldus het Uwv.
Geschil
3.1.
Verzoekster vraagt de rechtbank het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade om dezelfde reden als die waarom zij het Uwv had verzocht om schadevergoeding. Zij wil hiermee bereiken dat het Uwv wordt verplicht met een voorstel te komen dat tot een verlaging van haar maandlasten zal leiden.
3.2.
Op de zitting heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd dat van schade geen sprake is. Dat wordt volgens het Uwv niet anders als zou blijken van een gebrek in één van de betalingsspecificaties, waarbij het Uwv onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 januari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:80, stelt dat ook betalingsspecificaties besluiten zijn.
Beoordeling
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een regeling voor een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadeverzoeken wegens onrechtmatige besluiten en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. In artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is (voor zover hier van belang) bepaald dat het moet gaan om schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen daarvan. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [1]
4.2.
Verzoekster heeft als bijlagen bij haar verzoek de jaaropgaven 2020 en 2021 overgelegd, waarop door het Uwv is ingevuld wat er op de ZW-uitkering over deze belastingjaren aan loonheffing is ingehouden en aan arbeidskorting is verrekend. Een jaaropgaaf is echter geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat daarin alleen feitelijke informatie wordt verstrekt. [2] Betalingsspecificaties van het Uwv heeft eiseres niet overgelegd. Nu aan het verzoek om schadevergoeding dus geen onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen daarvan ten grondslag blijkt te liggen, is de bestuursrechter niet bevoegd om op het verzoek te beslissen.
4.3.
Over de door verzoekster gestelde schade wegens (het nalaten van) een feitelijke handeling van een medewerker van het Uwv kan uitsluitend een vordering worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. [3] Ter voorlichting van verzoekster merkt de rechtbank daarbij op dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat in een situatie waarin het Uwv geen of te weinig loonheffing heeft ingehouden en de betrokkene daardoor een naheffing inkomstenbelasting heeft gekregen, dit bedrag niet kan worden aangemerkt als door betrokkene geleden schade, omdat deze hierdoor per saldo niet in een financieel nadeliger positie gekomen is. [4]
Conclusie
5. De bestuursrechter is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. Verzoekster kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter instellen.
Proceskosten
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Griffierecht
7. Omdat de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoekschrift, zal de bestuursrechter bepalen dat het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,– door de griffier aan haar wordt terugbetaald. [5]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • bepaalt dat het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- door de griffier aan haar wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:310.
2.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 15 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2804 en de uitspraak van 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2336.
3.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3872.
4.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 16 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU6817.
5.Naar analogie van artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021, Staatscourant 2023, 17440, p. 8.