ECLI:NL:CRVB:2017:4070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen wegens ontbreken van procesbelang bij weigering persoonsgebonden budget AWBZ
Appellant beschikte vanaf 6 maart 2014 over een indicatie voor begeleiding groep inclusief vervoer voor drie dagdelen per week op grond van de AWBZ. Het Zorgkantoor weigerde op 14 maart 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen omdat de indicatie minder dan tien dagdelen bedroeg, wat volgens de Regeling subsidies AWBZ een belemmering vormt.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 1 augustus 2014 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellant stelde zich gemotiveerd op tegen deze uitspraak en stelde dat het pgb alsnog had moeten worden verleend, ongeacht de uitkomst van een andere zaak over de indicatie.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende procesbelang heeft omdat het resultaat van het verkrijgen van een pgb feitelijk geen betekenis heeft, mede omdat het achteraf verantwoorden van zorgkosten niet succesvol zal zijn. Tevens werd verwezen naar een andere zaak waarin werd geoordeeld dat onvoldoende schade was geconcretiseerd om procesbelang aan te nemen.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.