ECLI:NL:CRVB:2017:4070

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2017
Publicatiedatum
24 november 2017
Zaaknummer
15/2591 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6.3 Regeling subsidies AWBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen wegens ontbreken van procesbelang bij weigering persoonsgebonden budget AWBZ

Appellant beschikte vanaf 6 maart 2014 over een indicatie voor begeleiding groep inclusief vervoer voor drie dagdelen per week op grond van de AWBZ. Het Zorgkantoor weigerde op 14 maart 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen omdat de indicatie minder dan tien dagdelen bedroeg, wat volgens de Regeling subsidies AWBZ een belemmering vormt.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 1 augustus 2014 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellant stelde zich gemotiveerd op tegen deze uitspraak en stelde dat het pgb alsnog had moeten worden verleend, ongeacht de uitkomst van een andere zaak over de indicatie.

De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende procesbelang heeft omdat het resultaat van het verkrijgen van een pgb feitelijk geen betekenis heeft, mede omdat het achteraf verantwoorden van zorgkosten niet succesvol zal zijn. Tevens werd verwezen naar een andere zaak waarin werd geoordeeld dat onvoldoende schade was geconcretiseerd om procesbelang aan te nemen.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

15/2591 AWBZ
Datum uitspraak: 6 december 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2015, 14/8716 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2017. Voor appellant is verschenen mr. Van Es. Het Zorgkantoor heeft zich, na bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant beschikt vanaf 6 maart 2014 over een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor begeleiding groep, inclusief vervoer, voor drie dagdelen per week.
1.2.
Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het Zorgkantoor geweigerd om aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) te verlenen voor het jaar 2014. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat de indicatie voor begeleiding groep, waarover appellant beschikt, minder dan tien dagdelen bedraagt. Artikel 2.6.3 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) staat daarom aan de verlening van een pgb in de weg.
1.3.
Bij besluit van 1 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad ziet zich geplaatst voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.2.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat aan hem een pgb verleend had moeten worden, ongeacht de uitkomst van het hoger beroep in de zaak met nummer 15/7928 over de door CIZ verleende indicatie, als vermeld onder 1.1. Aangezien wat de gemachtigde van appellant ter zitting heeft verklaard erop neerkomt dat het achteraf verantwoorden van de zorgkosten niet succesvol zal kunnen zijn omdat niet kan worden voldaan aan de verantwoordingseisen, zal het verlenen van een pgb niet kunnen leiden tot het verkrijgen van pgb-gelden.
4.3.
In de zaak met nummer 15/7928, ECLI:NL:CRVB:2017:4071, waarin heden ook uitspraak wordt gedaan, is de Raad tot de conclusie gekomen dat in die zaak geen procesbelang kan worden ontleend aan schade die zou zijn geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming door CIZ over de onder 1.1 bedoelde indicatie, omdat onvoldoende is geconcretiseerd waaruit die schade bestaat. Dit betekent dat niet aan de orde is de situatie als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 11 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV0954, waarin een eventuele vergoeding van zorgkosten vanuit een pgb van belang is voor het verhalen van schade op CIZ.
4.4.
Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen valt niet in te zien wat appellant met het alsnog verlenen van een pgb zou kunnen bereiken. Hieruit volgt dat procesbelang ontbreekt. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) H. Achtot

JL