ECLI:NL:CRVB:2017:4194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- A.I. van der Kris
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na onzorgvuldig onderzoek
Appellant was directeur van een bankvestiging en werd ontslagen op staande voet vanwege betrokkenheid bij het faciliteren van een cliënt met zwart geld. Het UWV weigerde vervolgens zijn WW-uitkering blijvend geheel wegens verwijtbare werkloosheid en vorderde een voorschot terug. Zowel de rechtbank als het UWV baseerden hun beslissingen op beperkte stukken en lieten essentiële interne gedragslijnen van de bank buiten beschouwing.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat het UWV een eigen, zorgvuldig onderzoek had moeten verrichten naar de feiten rondom het ontslag en de verwijtbaarheid van de werkloosheid. Uit de stukken blijkt dat appellant weliswaar een ernstig verwijt treft vanwege zijn rol in het faciliteren van zwart geld, maar dat dit niet leidt tot een gerechtvaardigd ontslag op staande voet. De bank was zelf ook betrokken bij de situatie en appellant heeft zich ingespannen om het zwart geld via een inkeerregeling aan te geven.
De Raad concludeert dat het UWV en de rechtbank onzorgvuldig hebben gehandeld door niet alle relevante feiten en gedragslijnen mee te wegen. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en moet het UWV een nieuwe beslissing nemen, waarbij het beroep tegen die beslissing rechtstreeks bij de Raad kan worden ingesteld. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen.