Conclusie
1.Feiten
[eiser]), geboren 1959, en Van Lanschot N.V. (hierna:
Van Lanschot) heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. [eiser] was in 1996 in dienst getreden als directeur van het kantoor Venlo.
DNB). [3]
de Rabobank). De Rabobank heeft op 13 juli 2011 bij Van Lanschot informatie ingewonnen over de betrouwbaarheid van [eiser] . [5] In dit verzoek om informatie staat dat ten aanzien van de functie die de Rabobank overwoog aan [eiser] aan te bieden, de regeling integriteitsgevoelige functies kredietinstellingen van DNB-PVK van toepassing is. [6] [eiser] had op 12 juli 2011 aan Van Lanschot onherroepelijke toestemming gegeven om relevante gegevens aan de Rabobank te verstrekken. Bij brief van 26 juli 2011 heeft Van Lanschot het volgende aan de Rabobank geantwoord: [7]
de Mededeling).
de Referentie): [13]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
de rechtbank) dat van een geheimhoudingsovereenkomst geen sprake is. De rechtbank wijst [eiser] ’ beroep op strijd met goed werkgeverschap (art. 7:611 BW Pro) eveneens van de hand (rov. 4.2). De rechtbank oordeelt dat Van Lanschot door het doen van de Mededeling aan Rabo Nederland wél moet worden geacht te hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij tegenover [eiser] in acht had te nemen. Dit laatste oordeel wordt als volgt gemotiveerd:
het hof) in hoger beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven. Zij heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [eiser] , [eiser] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Van Lanschot ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot die van terugbetaling en [eiser] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
het tussenarrest) overweegt het hof dat, anders dan Van Lanschot aanvoert, enkel de ernst van de gedragingen van [eiser] niet de handelwijze van Van Lanschot rechtvaardigt (rov. 3.11).
ongevraagdmocht doen. Van Lanschot had geen toestemming van [eiser] dat te doen (rov. 3.21). Van Lanschot was op grond van de door haar aangehaalde wettelijke regelingen ook niet gehouden tot het doen van de Mededeling (rov. 3.25.2). Zij was daartoe wel bevoegd, maar de enkele bevoegdheid rechtvaardigt in deze zaak niet het uit eigen beweging doen van de Mededeling (rov. 3.25.3). Dit is anders indien DNB Van Lanschot heeft verzocht om aan Rabobank Nederland de Mededeling te doen. In dat geval was Van Lanschot daartoe gehouden, ongeacht of de Mededeling schriftelijk of mondeling zou worden gedaan (rov. 3.24.3, zie ook rov. 3.26.3). Dat een dergelijk verzoek is gedaan, kan niet zonder meer worden uitgesloten omdat DNB ter uitvoering van haar toezichthoudende taak ook buitenwettelijke middelen inzet (zie rov. 3.24.3). [eiser] heeft de stelling van Van Lanschot dat DNB haar mondeling heeft verzocht aan Rabobank Nederland de mededeling te doen, betwist (rov. 3.26.1). Dit een en ander voert tot de volgende tussenconclusie:
het eindarrest) oordeelt het hof dat Van Lanschot is geslaagd te bewijzen wat aan haar was opgedragen. Het hof overweegt als volgt (mijn onderstrepingen en cursiveringen; A-G):
[betrokkene 3], [thans] directeur bij Rabobank Nederland, heeft verklaard dat hij in september 2011 lid van de raad van bestuur van Van Lanschot was, dat begin september (hof: 2011) de zaak (hof: betreffende het ontslag op staande voet van [eiser] ) opnieuw in de raad van bestuur is besproken, dat het bestuur besloot om DNB te informeren over de stand van de zaak, dat dat ook inhield om te melden bij DNB dat [eiser] bij Rabobank in dienst zou treden; dat hij, [betrokkene 3] , na afloop van voormelde bestuursvergadering diezelfde dag de zaak met [betrokkene 4] , die destijds leider was van het team Toezicht van DNB, heeft besproken, dat hij verslag heeft gedaan van de voortgang van de zaak, dat de zaak onder de rechter was en dat er een verweerschrift lag van [eiser] waaruit bleek dat [eiser] bij de Rabobank Roermond zou gaan werken, dat [betrokkene 4] hierover verbaasd was en dat hij het belangwekkend vond, dat hij, [betrokkene 4] , hierover verbaasd was omdat kennelijk de pre-employmentscreening niet had geleid tot het niet aannemen van [eiser] bij de Rabobank Roermond, dat [betrokkene 4] en hij, [betrokkene 3] , hierover hebben gediscussieerd, dat [betrokkene 4] het gesprek heeft afgesloten door te zeggen dat hij het nog met zijn collega’s moest bespreken, dat hij, [betrokkene 3] , kort na het telefoongesprek met [betrokkene 4] , door [betrokkene 4] is teruggebeld en dat [betrokkene 4] hem toen heeft gevraagd contact op te nemen met Rabobank Nederland in hun toezichthoudende rol en [betrokkene 4] hem de naam van [betrokkene 2] heeft genoemd,
dat [betrokkene 4] hem uitdrukkelijk heeft verzocht om de Rabobank Nederland in hun toezichthoudende rol te informeren en contact op te nemen met [betrokkene 2].
Naar het oordeel van het hof wordt hiermee, nu [betrokkene 2] was verbonden aan toezicht bij Rabobank Nederland, tevens de verklaring van [betrokkene 3] bevestigd dat [betrokkene 4] hem heeft verzocht om Rabobank Nederland in haar toezichthoudende rol te informeren en contact op te nemen met [betrokkene 2].
.
met iemand(onderstreping hof) van Van Lanschot een gesprek heeft gehad over [eiser] , dat hij niet meer weet wie dat was, dat het wel iemand uit de hogere echelons was, maar dat hij niet zeker weet of dat iemand uit het bestuur was. Gelet hierop kan, anders dan [eiser] doet, niet worden vastgesteld dat het gesprek tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] met [betrokkene 3] is gevoerd. De verklaring van [betrokkene 5] geeft zelfs aanleiding om aan te nemen dat hij het gesprek waarover hij hiervoor heeft verklaard, niet met [betrokkene 3] heeft gevoerd. Immers aan [betrokkene 5] is een deel van de verklaring van [betrokkene 3] voorgehouden. Dat leidde er niet toe dat [betrokkene 5] [betrokkene 3] als zijn gesprekspartner herkende. Hij verklaart naar aanleiding van het voorhouden van de verklaring van [betrokkene 3] slechts dat hij toen ook wel eens met [betrokkene 3] sprak, dat [betrokkene 4] toezichthouder was en dat [betrokkene 4] vaker met functionarissen van Van Lanschot sprak en ook alleen en dat hij niet weet of [betrokkene 4] het gesprek dat hij, [betrokkene 4] , met [betrokkene 3] heeft gehad aan hem, [betrokkene 5] , heeft teruggekoppeld. De stellingen van [eiser] voor zover zij in zijn memorie na enquête (nr. 7 e.v.) voortbouwen op het uitgangspunt dat het gesprek waarover [betrokkene 5] verklaart met [betrokkene 3] is gevoerd, missen dus naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag.
nietmet voldoende zekerheid; A-G] een tijdstip worden vastgesteld waarop het gesprek van [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en iemand van Van Lanschot plaatsvond. [betrokkene 5] heeft namelijk verklaard dat het bedoelde gesprek plaatsvond in de periode juni tot en met augustus en dat het ook in september zou kunnen zijn, dat in zijn beleving het gesprek eerder was dan september, maar dat hij dat niet zeker weet.
doet niets af aan de verklaring van [betrokkene 3] . Uit de verklaring van [betrokkene 7] blijkt namelijk niet dat zij met [betrokkene 3] heeft gesproken, maar met [betrokkene 8] , hoofd compliance bij Van Lanschot.
. Dit laat de mogelijkheid open dat [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] begin september 2011 een andere boodschap dan die van [betrokkene 7] aan [betrokkene 8] heeft overgebracht, namelijk overeenkomstig de verklaring van [betrokkene 3].
meerdere gesprekken(onderstreping hof) met Van Lanschot aan de orde is geweest, dat deze gesprekken zijn gevoerd met
verschillende medewerkers van DNB en dat de boodschap die aan Van Lanschot is gegeven wisselend was(onderstreping hof). Het voorgaande maakt dat aan de inhoud van andere gesprekken dan het gesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] waarover [betrokkene 3] heeft verklaard, niet het gevolg kan worden verbonden dat het gesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] met de inhoud zoals verklaard door [betrokkene 3] niet zou hebben plaatsgevonden of een andere inhoud zou hebben gehad.
3.Algemene opmerkingen
Enkele geschilpunten nader belicht
et worden uitgevoerd. [31] Onderdeel van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van een kandidaat is het verkrijgen van een integriteitsverklaring van vorige werkgevers waarin omtrent de integriteit van de desbetreffende medewerker wordt verklaard. Het niet verkrijgen van een integriteitsverklaring zal gevolgen hebben voor de sollicitant. Sterker: het zal veelal betekenen dat betrokkene niet meer aan de slag kan in de financiële sector.
bij zeer ernstige gedragingen die voor onze organisatie onacceptabel zijn” kan moeilijk als nieuw of belastend voor [eiser] worden aangemerkt. Dat de beschikking van de kantonrechter van 26 september 2011 werd meegestuurd acht ik eveneens op zijn plaats gelet op de eerdere brief van 26 juli 2011 waarin van de procedure bij de kantonrechter melding was gemaakt.
kunnenverplichten dat alsnog te doen. Tegelijkertijd schat ik de kans dat DNB dat ook daadwerkelijk zou hebben gedaan laag in, alleen al vanwege de met zo’n handhavingstraject gemoeide tijd.
De vraag van [betrokkene 3] kwam erop neer hoe DNB het zou vinden indien Van Lanschot hierover telefonisch contact zou opnemen met [betrokkene 2] van RABO Nederland”) en niet dat, omgekeerd, [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] heeft gevraagd dat te doen. Bij die stand van zaken is plausibel dat het contact waarover [betrokkene 4] heeft gerapporteerd eveneens op die dag heeft plaatsgevonden – conform de oorspronkelijke stellingname van Van Lanschot dat het verzoek ‘eind september’ is gedaan –, dat de communicatie is verlopen zoals door [betrokkene 4] op die datum intern is vastgelegd en dat het de eigen afweging van Van Lanschot is geweest de Mededeling te doen. Dit een en ander laat onverlet dat op een eerder moment, in het kader van een regulier overleg, in ieder geval door [betrokkene 5] van DNB, in het bijzijn van [betrokkene 4] , het standpunt is ingenomen dat Van Lanschot de Rabobank moest informeren.
“erkenning van andere rechtvaardigingsgronden dan die welke rechtstreeks uit de wet voortvloeien”. [40] In de systematiek van art. 6:162 BW Pro hebben de rechtvaardigingsgronden een uitzonderingskarakter. Dat pleit voor een terughoudende toepassing. [41] In casu is de handelwijze van Van Lanschot volgens het hof gerechtvaardigd omdat is komen vast te staan dat DNB tot het doen van de Mededeling heeft verzocht. De toepassing van een rechtvaardigingsgrond is een rechtsoordeel. De kwalificatie van bepaalde omstandigheden als vallend onder het bereik van een rechtvaardigingsgrond is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Het oordeel dat al dan niet sprake is van een rechtvaardigingsgrond, is dan ook een gemengd oordeel dat slechts deels toetsbaar is in cassatie. [42]
gehoudenwas de Mededeling te doen indien DNB dit aan haar heeft verzocht, en rov. 3.29, waar het hof overwoog dat Van Lanschot hiertoe
verplichtwas, wijzen in die richting.
bevoegdwas de Mededeling te doen, maar dat enkel die bevoegdheid in deze zaak niet het uit eigen beweging,
zonder daartoe strekkend verzoek van DNB, doen van de Mededeling rechtvaardigt. Het is de bevoegdheid de Mededeling te doen, in combinatie met een daartoe strekkend verzoek van DNB, dat volgens het hof een rechtvaardigingsgrond oplevert. De overweging in rov. 3.26.3 dat de handelwijze van Van Lanschot gerechtvaardigd is, indien komt vast te staan dat DNB tot het doen van de Mededeling heeft verzocht, is dan een vervolg op rov. 3.25.3. De mate waarin het verzoek dwingend was, is in die benadering niet doorslaggevend. Deze tweede lezing houd ik voor juist. [43]
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
onder 1.2dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, voor zover in rov. 3.26.2 en rov. 3.39-3.40 is geoordeeld dat de verplichting van Van Lanschot om op verzoek van DNB de Mededeling te doen ook (zonder meer) leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een tekortkoming, althans van toerekenbaarheid in de zin van art. 6:75 BW Pro. Hij stelt dat Van Lanschot zich daarop niet heeft beroepen, maar slechts heeft gesteld dat zij binnen de grenzen van de wet- en regelgeving en daarmee zorgvuldig heeft gehandeld, althans dat die verplichting een wettelijke bevel is en daarom een rechtvaardigingsgrond in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro oplevert. [46] Voor zover het hof een dergelijk beroep wel in de stukken van Van Lanschot heeft gelezen, heeft het hof daarmee een onbegrijpelijke uitleg aan de processtukken gegeven, aldus [eiser] .
onder 1.4zijn opnieuw gekant tegen rov. 3.26.2 en rov. 3.39-3.40. [eiser] klaagt dat, voor zover het hof op die plaats heeft geoordeeld dat de verplichting om de Mededeling te doen ertoe leidt dat de tekortkoming niet toerekenbaar is in de zin van art. 6:75 BW Pro, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens [eiser] volgt uit het feit dat een partij op grond van de wet verplicht is een bepaalde handeling te verrichten, niet (zonder meer) dat die tekortkoming niet op grond van schuld, wet, rechtshandeling, althans de in het verkeer geldende opvatting voor haar rekening komt. Een motivering waarom dat hier wel het geval zou zijn, ontbreekt volgens het subonderdeel.
onder 1.6dat het hof hem in ieder geval had moeten toelaten tot het leveren van het bewijs van zijn stelling dat de geheimhoudingsovereenkomst op 29 augustus 2011 tot stand is gekomen. [51]
toerekenbaretekortkoming, is ook zonder nadere motivering voldoende begrijpelijk, nu de Referentie aan de Mededeling inhoudelijk niets toevoegde en daarmee, als vanzelfsprekend gevolg, onlosmakelijk is verbonden. Daar komt bij dat het hof in rov. 3.36.2 van het tussenarrest heeft overwogen dat de Referentie voor de Rabobank niet de reden was om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De Rabobank heeft de arbeidsovereenkomst onder druk van Rabobank Nederland beëindigd. Dit was een gevolg van de Mededeling.
onder 1.8dat het hof eraan voorbij gaat (i) dat hij deze oordelen in appel aan de orde heeft gesteld [52] en daarom in zoverre met grieven heeft bestreden en (ii) het bij gegrondbevinding van een van de grieven tegen de door de rechtbank toegewezen delictuele grondslag op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking alsnog had moeten nagaan of de vordering kan worden toegewezen op grond van (een van) de contractuele grondslagen.
onder 2.2dat het hof heeft miskend dat een onderneming niet gebonden is aan door DNB ingezette buitenwettelijke middelen, zoals mondelinge dan wel schriftelijke verzoeken om bepaalde mededelingen aan derden te doen. Gebondenheid bestaat slechts aan ingezette wettelijke handhavingsinstrumenten. Van Lanschot was dus niet gebonden aan een mondeling verzoek van DNB om de Mededeling aan Rabobank Nederland te doen.
Onder 2.3klaagt [eiser] tot slot dat het hof heeft miskend dat de inzet van een buitenwettelijk middel door DNB niet zonder meer tot de conclusie leidt dat navolging daarvan het onzorgvuldige en onrechtmatige karakter van het doen van de Mededeling wegneemt, althans niet, of niet zonder meer een rechtvaardigingsgrond in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro oplevert.
onder 2.1berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Anders dan [eiser] aanneemt, heeft het hof niet geoordeeld dat DNB bevoegd was Van Lanschot door middel van een aanwijzing te verplichten aan Rabobank Nederland de Mededeling te doen. Het hof heeft na bespreking van art. 3:10 lid 1 Wft Pro en art. 1:75 lid 1 Wft Pro slechts overwogen dat DNB bevoegd was ter zake van een integriteitsincident Van Lanschot een aanwijzing te geven en dat Van Lanschot verplicht was daaraan te voldoen. Het hof heeft zich niet erover uitgelaten of die aanwijzing zou kunnen inhouden dat Van Lanschot de Mededeling aan Rabobank Nederland zou moeten doen. Voorts heeft het hof niet geoordeeld dat DNB op grond van art. 3:10 jo Pro. art. 1:75 Wft Pro bevoegd was Van Lanschot door middel van een buitenwettelijk middel te verplichten aan Rabobank Nederland de Mededeling te doen. Het hof heeft overwogen dat DNB ter uitvoering van haar taak ook buitenwettelijke middelen inzet en dat het gelet daarop niet kan worden uitgesloten dat een verzoek tot het doen van een mededeling is gedaan. Dat is niet onjuist.
onder 2.2veronderstelt dat het hof zijn oordeel daarop heeft gebaseerd dat een onderneming is gebonden aan door DNB ingezette buitenwettelijke middelen. M.i. heeft het hof slechts tot uitdrukking willen brengen dat ook een informeel verzoek van DNB niet geheel vrijblijvend is en de rechtvaardigingsgrond voor de handelwijze van Van Lanschot gezocht in de bevoegdheid tot het doen van de Mededeling in combinatie met het verzoek van DNB om daarvan gebruik te maken.
onder 2.3stelt, niet miskend dat de inzet van een buitenwettelijk middel door DNB niet zonder meer tot de conclusie leidt dat navolging daarvan het onzorgvuldige en onrechtmatige karakter van het doen van de Mededeling wegneemt, althans niet, of niet zonder meer, is aan te merken als een wettelijk bevel jegens die instelling en of op een andere grond een rechtvaardigingsgrond in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro oplevert.
onder 3.2dat de vaststelling dat geen incidentmelding heeft plaatsgevonden in ieder geval in belangrijke mate afbreuk kan doen aan de geloofwaardigheid van de stelling van Van Lanschot dat DNB haar heeft verzocht de Mededeling aan Rabobank Nederland te doen. Hij wijst op de getuigenverklaring van [betrokkene 3] , waaruit blijkt dat [betrokkene 4] (DNB) naar aanleiding van de incidentmelding bij [betrokkene 3] informeerde naar de voortgang in de ‘zaak [eiser] ’ en [betrokkene 4] vervolgens de opdracht heeft gegeven de Mededeling te doen. [55] De incidentmelding vormt volgens [eiser] een cruciale schakel in de verklaring van [betrokkene 3] en in de stellingen van Van Lanschot.
de bewijslevering en bewijswaardering. Dat is iets anders. De bestreden overwegingen hebben daarop geen betrekking.
“afdoen aan”of
“een ander licht werpen op”de verklaring van [betrokkene 3] en (ii) door met betrekking tot de verklaring van [betrokkene 7] en de in de DNB-brief genoemde interne e-mail te overwegen dat die
“de mogelijkheid openlaten”(a) dat [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] begin september 2011 een andere boodschap heeft gegeven dan die [betrokkene 7] aan [betrokkene 8] heeft overgebracht en (b) dat [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] begin september 2011 een andere boodschap heeft overgebracht, namelijk overeenkomstig de verklaring van [betrokkene 3] , dan het in de e-mail vermelde besluit na consultatie dat Van Lanschot zelf de afweging moet maken of zij [betrokkene 2] zal informeren. Volgens [eiser] had het hof, omgekeerd, behoren te toetsen of die bewijsmiddelen zodanige twijfel hebben gezaaid over het bewijs van Van Lanschot, dat het hof niet de redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat [betrokkene 4] [betrokkene 3] heeft verzocht de Mededeling te doen.
onder 4.2dat het hof in het licht van de navolgende – mede in onderlinge samenhang te beschouwen – omstandigheden onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom tot het oordeel wordt gekomen dat Van Lanschot in haar bewijsopdracht is geslaagd:
- i) de vaststelling van het hof dat de e-mail bevestigt dat tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] aan de orde is gesteld of Van Lanschot Rabobank Nederland moest informeren, niet kan bijdragen aan de conclusie dat de e-mail de verklaring van [betrokkene 3] niet ongeloofwaardig maakt, omdat uit dat contact nog niet kan volgen dat [betrokkene 4] ook het verzoek heeft gedaan de Mededeling te doen;
- ii) de vaststelling dat uit de e-mail van [betrokkene 4] niet blijkt dat [betrokkene 4] op een ander moment dan begin september 2011 dit gesprek heeft gevoerd aan de geloofwaardigheid van de e-mail niet afdoet, nu de daaruit niet blijkende aanwezigheid van een ander contactmoment niets over die inhoud van het gesprek zegt, en;
- iii) de interne e-mail van [betrokkene 4] niet duidelijk maakt wanneer de consultatie binnen banken 2 heeft plaatsgevonden en of en zo ja, wanneer dit aan [betrokkene 3] of Van Lanschot is teruggekoppeld. Daarmee laat de interne e-mail volgens het hof de mogelijkheid open dat [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] begin september iets anders heeft overgebracht, namelijk wat [betrokkene 3] verklaart. Dit oordeel verhoudt zich niet op begrijpelijke wijze met het uitgangspunt in rov. 6.7.1 en [betrokkene 3] ’s uitgangspunt dat [betrokkene 3] één keer, te weten begin september 2011 contact heeft gehad met [betrokkene 4] . De interne e-mail van [betrokkene 4] moet dan wel betrekking hebben gehad op dat eenmalig contact tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , zodat [betrokkene 4] naar aanleiding daarvan heeft gerapporteerd [betrokkene 3] te hebben meegedeeld dat Van Lanschot de afweging zelf moet maken.
[betrokkene 3]. Dat op gegeven beoordeling valt af te dingen (betekent evenwel niet dat de gegeven motivering tekortschiet. De verschillende onderdelen van de klacht betreffen opnieuw de aan het hof voorbehouden bewijswaardering. Het hof was niet gehouden op elke stelling van [eiser] in te gaan. Meer bijzonder was het hof niet gehouden te motiveren waarom aan de verklaring van de ene getuige minder gewicht moet worden toegekend dan aan de verklaring van een andere getuige. [62] Het hof heeft zijn oordeel voldoende inzichtelijk gemaakt om het bewijsoordeel controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Ten overvloede ga ik hierna in op de verschillende onderdelen van de klacht.
[betrokkene 6]heeft het hof in rov. 6.3 uitdrukkelijk vermeld dat deze heeft verklaard dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat aan de andere kant van de lijn [betrokkene 3] zat. Dat het hof in rov. 6.3.1 desalniettemin heeft overwogen dat de verklaring bevestigt dat een telefoongesprek tussen hem en [betrokkene 4] heeft plaatsgevonden, hangt daarmee samen dat [betrokkene 6] dit uit het noemen van de naam [betrokkene 2] in het gesprek en de context daarvan heeft geconcludeerd.
[betrokkene 1]geen bevestiging van [betrokkene 3] ’s verklaring vormt, maar enkel van datgene wat [betrokkene 3] aan hem heeft verklaard. In rov. 6.4.1 heeft het hof namelijk overwogen dat de verklaring van [betrokkene 3] wordt ondersteund in die zin dat [betrokkene 1] van [betrokkene 3]
heeft gehoorddat het gesprek met [betrokkene 4] toen en met die inhoud heeft plaatsgevonden. Dat het hof vervolgens bij de bewijswaardering ook betekenis heeft toegekend aan het feit dat [betrokkene 1] gevolg heeft gegeven aan de mededeling van [betrokkene 3] dat [betrokkene 2] geïnformeerd moest worden, is niet onbegrijpelijk.
[betrokkene 5]verdient opmerking dat het hof, anders dan [eiser] stelt, niet heeft geoordeeld dat op enig punt niet van die verklaring kan worden uitgegaan. Het hof heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat het gesprek tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] met [betrokkene 3] is gevoerd. Dat is iets anders en bovendien in overeenstemming met de verklaring van [betrokkene 5] . Bijgevolg leidt het hof uit deze verklaring dan ook niet af dat [betrokkene 4] het met [betrokkene 5] eens was dat Rabobank geïnformeerd had moeten worden of dat [betrokkene 4] daartoe ook opdracht heeft gegeven, zoals [eiser] ten onrechte veronderstelt. Het hof heeft in rov. 6.5.2 enkel overwogen dat uit die verklaring volgt dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] vonden dat Van Lanschot de Rabobank had moeten informeren, dat hij, [betrokkene 5] , zeker weet dat hij dit heeft gezegd, dat hij niet weet of [betrokkene 4] dit ook heeft gezegd, dat hij ook niet meer weet of [betrokkene 4] iets anders heeft gezegd maar dat hij wel met zekerheid kan zeggen dat [betrokkene 4] hem, [betrokkene 5] , niet heeft afgevallen. Die overweging is niet onbegrijpelijk en volledig in overeenstemming met hetgeen [betrokkene 5] heeft verklaard.
[betrokkene 7]is voldoende begrijpelijk. Het hof heeft kunnen overwegen dat uit haar verklaring niet blijkt dat zij met [betrokkene 3] heeft gesproken, maar met [betrokkene 8] en dat zij niet weet of er op enig moment een andere lijn is ingezet dan de lijn overeenkomstig haar antwoord aan [betrokkene 8] , dat Van Lanschot zelf de afweging moest maken om een melding te doen bij Rabobank. Anders dan [eiser] lijkt te veronderstellen, wordt in de verklaring van [betrokkene 7] in dit verband niet gesproken over een vast beleid van DNB. Ook elders blijkt niet van zulk vast beleid. Wel blijkt uit de verschillende verklaringen van de bij DNB werkzame getuigen en de DNB-brief dat, zoals het hof in rov. 6.8 onderstreept, de kwestie [eiser] in meerdere gesprekken met Van Lanschot aan de orde is geweest, dat deze gesprekken zijn gevoerd met verschillende medewerkers van DNB en dat de boodschap die aan Van Lanschot is gegeven wisselend was.
eindseptember en dus niet al op (of kort na) 6 september 2011 zou zijn gedaan. [69] Onder 5.2klaagt [eiser] dat het hof heeft miskend dat partijen in hoger beroep alle grieven uiterlijk bij memorie moeten aanvoeren, zodat de bij memorie na enquête ingenomen stelling dat het verzoek van DNB op (of kort na) 6 september 2011 is gedaan, tardief is. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de stelling dat het verzoek van DNB op (of kort na) 6 september 2011 is gedaan geen nieuwe grief is, ziet het hof eraan voorbij dat die stelling strekte tot vernietiging van het voor Van Lanschot ongunstige vonnis van de rechtbank. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de stelling dat het DNB-verzoek op (of kort na) 6 september 2011 is gedaan een toegestane nadere uitwerking vormt van de stelling dat dat verzoek eind september 2011 is gedaan, klaagt [eiser]
onder 5.3dat dit oordeel zonder nadere, ontbrekende, motivering onbegrijpelijk is, omdat het een wezenlijk ander feit betreft. Tot slot klaagt [eiser]
onder 5.4dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat zich een grond voordoet voor de uitzondering op de tweeconclusieregel, dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd omdat het hof geen reden geeft dat en waarom zich zo’n uitzonderingsgrond voordoet.
5.Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
onderdeel aklaagt Van Lanschot dat het hof in het licht van haar stellingen ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, oordeelt dat (a) de ernst van de gedragingen van [eiser] het doen van de Mededeling nog niet rechtvaardigt en dat (b) Van Lanschot het integriteitsaspect ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan [eiser] ’ belang bij een nieuwe baan, mede omdat [eiser] erop heeft mogen vertrouwen dat Van Lanschot de Mededeling niet zou doen. Van Lanschot stelt dat, gelet op de ernst van de gedragingen van [eiser] , zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt te begrijpen dat [eiser] louter op grond van de mededeling van Van Lanschot ter zitting van 29 augustus 2011 mocht aannemen dat Van Lanschot niet op enig moment tot een andere afweging zou komen ten aanzien van het integriteitsaspect en de Mededeling zou doen.
onderdeel bdat het hof in rov. 3.29 en 3.31.1 in het midden heeft gelaten of Van Lanschot ook heeft toegezegd de Mededeling niet aan Rabobank Nederland te doen, maar tegelijkertijd oordeelt dat het doen van de Mededeling aan Rabobank Nederland onrechtmatig is, omdat Van Lanschot met haar toezegging het vertrouwen heeft gewekt dat niet te doen. Van Lanschot meent dat het enkele feit dat zij anders heeft gehandeld dan [eiser] mocht verwachten en dat zij kon voorzien dat de Mededeling ernstige gevolgen voor [eiser] zou hebben, geen onrechtmatige daad oplevert. Daarvoor is volgens haar op zijn minst vereist dat zij een toezegging heeft gedaan met de inhoud of strekking dat ook geen mededeling aan Rabobank Nederland als toezichthouder van de Rabobank zou worden gedaan. Door dit te miskennen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof de juistheid van de stelling dat de toezegging niet is gedaan, in het midden heeft gelaten. [71]
onderdeel cklaagt Van Lanschot dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden omdat [eiser] het onrechtmatig handelen van Van Lanschot heeft gebaseerd op de toezegging van (de gemachtigde van) Van Lanschot d.d. 29 augustus 2011, [72] terwijl het hof oordeelt dat Van Lanschot ook als die toezegging niet was gedaan onrechtmatig heeft gehandeld door de Mededeling te doen buiten een verzoek van DNB om. Op zo’n onrechtmatige gedraging heeft [eiser] zich volgens Van Lanschot niet beroepen. Er zou daarom ten minste sprake zijn van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
onderdeel dstelt Van Lanschot dat het oordeel aan het slot van rov. 3.34.1 [bedoeld is kennelijk: rov. 3.34.3], dat Van Lanschot kon voorzien dat het doen van de Mededeling ernstige gevolgen voor [eiser] zou hebben, onvoldoende is gemotiveerd. Van Lanschot stelt dat zij gemotiveerd heeft aangevoerd dat het niet waarschijnlijk was dat als gevolg van de Mededeling de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd en dat de schade niet voorzienbaar was, omdat de Rabobank al wist van het ontslag op staande voet en Van Lanschot erop mocht vertrouwen dat [eiser] de Rabobank over zijn ontslag zou inlichten. [73]
onderdeel ebetoogt Van Lanschot dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op de volgens haar essentiële stelling dat (i) het doen van de Mededeling een gevolg was van [eiser] eigen gedragingen en (ii) [eiser] zelf de verantwoordelijkheid had de Rabobank naar waarheid op de hoogte te stellen omtrent zijn antecedent. [74]