ECLI:NL:CRVB:2017:4365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering onverschuldigd betaalde pgb-voorschotten wegens onvoldoende AWBZ-zorg
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg over de periode van 1 september 2014 tot en met 28 december 2014. Na verantwoording van de besteding keurde het Zorgkantoor een deel van de kosten af en stelde het pgb lager vast, met terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten tot gevolg.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de afgekeurde kosten betrekking hadden op AWBZ-zorg. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door ziekte en faillissement van de zorgverlener niet meer kon aantonen welke zorg was verleend.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het Zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling van het pgb. De Raad benadrukte dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van het pgb bij de budgethouder blijft, ook als een derde het beheer voert. Het beroep tegen het besluit tot terugvordering werd daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast werd het Zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot lagere vaststelling van het pgb en terugvordering van voorschotten wordt ongegrond verklaard.