Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht in het kader van het project 'Vermogen in het buitenland'. Uit onderzoek bleek dat zij mede-eigenaar was van een appartement in Turkije, wat zij niet had gemeld. Het college trok haar bijstand in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde de boete voor zover die werd verrekend. In hoger beroep stelde appellante dat zij niet wist van haar mede-eigendom en dat haar psychische en financiële situatie dringende redenen vormden om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk op de hoogte was en haar inlichtingenplicht heeft geschonden, maar dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
Ten aanzien van de boete stelde de Raad vast dat er geen opzet was, slechts gewone verwijtbaarheid, en dat de boete daarom te hoog was. De Raad vernietigde het besluit over de boete en stelde deze vast op de helft van het oorspronkelijke bedrag. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante.