ECLI:NL:CRVB:2018:2005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- E.C.G. Okhuizen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde bijschrijvingen op bankrekening
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam uitgenodigd voor een gesprek over de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand. Tijdens dit gesprek werd vastgesteld dat er in de periode van 1 juli 2014 tot en met 28 februari 2015 diverse kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellant hadden plaatsgevonden, waarvan een groot deel afkomstig was van een derde, aangeduid als [X].
Het college besloot daarop de bijstand over bepaalde perioden te herzien en een bedrag terug te vorderen, omdat appellant deze stortingen niet had gemeld terwijl deze als inkomen moesten worden beschouwd. Appellant voerde aan dat het geld van [X] kwam, dat hij het direct contant opnam en aan [X] gaf, en dat hij niet vrijelijk over deze bedragen beschikte. Deze stellingen werden echter niet ondersteund door controleerbare en verifieerbare stukken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de bijschrijvingen een terugkerend karakter hadden en daarom als inkomsten in de zin van de Participatiewet moesten worden aangemerkt. Ook stelde de Raad dat het feit dat de rekening op naam van appellant stond, impliceert dat hij over de tegoeden kon beschikken, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakte, wat niet was gebeurd.
De Raad concludeerde dat het college de bijschrijvingen terecht als inkomsten had aangemerkt en de terugvordering van de bijstand terecht was. Er werden geen proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet gemelde bijschrijvingen op de bankrekening van appellant.