ECLI:NL:CRVB:2018:2253
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor griffierecht wegens ontbrekende noodzakelijkheid
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van griffierecht van een bestuursrechtelijke procedure bij de rechtbank Rotterdam. Het Drechtstedenbestuur wees deze aanvraag af omdat de procedure niet noodzakelijk werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de procedure wel noodzakelijk was. De Raad oordeelde dat bijzondere bijstand voor griffierecht in beginsel kan worden toegekend indien rechtsbijstand is verleend, maar bij ontbreken daarvan moet de aanvrager de noodzaak aannemelijk maken.
De Raad stelde vast dat het griffierecht betrekking had op een procedure over een verzoek van appellant om inzage in het dossier van zijn biologische dochter bij Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant. Dit verzoek valt onder de Jeugdwet en betreft geen besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter openstaat.
Daarom was de bestuursrechter onbevoegd om kennis te nemen van het beroep, waardoor de griffierechtkosten niet noodzakelijk zijn. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor griffierecht wordt afgewezen omdat de procedure niet noodzakelijk is en de bestuursrechter onbevoegd was.