ECLI:NL:CRVB:2018:2540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wajong-uitkering terecht geweigerd wegens onvoldoende onderbouwing en niet vervulde wachttijd
Appellante, geboren in 1969, vroeg aanvankelijk in 2010 een Wajong-uitkering aan, welke werd afgewezen omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Een nieuwe aanvraag in 2014 werd eveneens afgewezen door het UWV, dat oordeelde dat er geen nieuwe feiten waren die het eerdere besluit onjuist maakten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij de wachttijd zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) niet had vervuld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij bewijsproblemen had over haar arbeidsmogelijkheden vanaf haar zeventiende en dat zij nog steeds begeleiding nodig had om te functioneren op de werkvloer. De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellante ligt en dat zij haar aanvraag niet deugdelijk en toereikend had onderbouwd. De door het UWV vastgestelde beperkingen op haar zeventiende en achttiende waren niet onjuist en er was geen bewijs van arbeidsongeschiktheid tijdens de wachttijd.
Daarnaast verzocht appellante om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure ruim vier jaar en twee maanden had geduurd, wat de redelijke termijn overschrijdt. Daarom werd een vergoeding van €500 toegekend en werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van €250,50. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Wajong-uitkering wordt geweigerd vanwege onvoldoende onderbouwing en niet vervulde wachttijd, met een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.