Uitspraak
16.6358 PW, 17/4256 PW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds januari 2014 en meldde niet alle bankrekeningen en saldi bij zijn aanvraag. De gemeente ontdekte via de Belastingdienst dat appellant beschikte over aanzienlijke tegoeden op twee rekeningen, waarvan één niet was gemeld en bij de andere het saldo niet was opgegeven.
Het college trok de bijstand in over de periode januari 2014 tot juni 2015 en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank vernietigde de boete deels, maar verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet meer over het vermogen kon beschikken, ondanks contante opnames. Ook het beroep op een accountant die de aanvraag zou hebben ingediend, faalde. De boete werd passend geacht gezien de normale verwijtbaarheid. De brutering van de terugvordering werd eveneens bevestigd.
De Raad concludeerde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden en dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en een boete had opgelegd. De aangevallen uitspraken werden bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de boete wegens het niet melden van banktegoeden.