ECLI:NL:CRVB:2018:301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en stond ingeschreven op een adres, maar uit onderzoek bleek dat hij feitelijk samenwoonde met een buurvrouw op een ander adres. Het college trok de bijstand in vanwege het niet melden van deze gezamenlijke huishouding en wees een nieuwe aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat zijn woonsituatie was gewijzigd.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellant voerde aan dat de verklaring van de buurvrouw onder druk was afgelegd, maar de Raad verwierp dit verweer op grond van vaste rechtspraak en de inhoud van de verklaring.
De Raad oordeelde dat de verklaring van de buurvrouw voldoende bewijs leverde dat appellant en zij hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres, en dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Ook de nieuwe aanvraag werd terecht afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat hij op het uitkeringsadres woonde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en wees de hoger beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de afwijzing van de nieuwe aanvraag wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding.