ECLI:NL:CRVB:2018:3458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en financiële verwevenheid
Appellante ontving sinds 1 juli 2013 bijstand, maar het college trok deze met terugwerkende kracht in vanwege vermoedens van verzwegen inkomsten en onduidelijke financiële situatie. Onderzoek wees op betalingen voor haar kinderen, onverklaarde stortingen en niet gemelde werkzaamheden.
Appellante werd meerdere keren gehoord maar gaf onvoldoende verifieerbare informatie over haar bankafschriften, betalingen voor gas, water en elektriciteit en de herkomst van contante betalingen, waaronder de aankoop van een auto. Het college concludeerde dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. Appellante slaagde er niet in aan te tonen dat haar omstandigheden waren gewijzigd zodat zij opnieuw recht had op bijstand. De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand introk en de nieuwe aanvragen afwees.
De Raad verwierp het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel omdat het college destijds niet op de hoogte was van de later geconstateerde feiten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 23 oktober 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en afwijzing van nieuwe aanvragen wegens schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijke financiële situatie.