ECLI:NL:CRVB:2018:3476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant had bij besluit van 6 augustus 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend gekregen met een mate van arbeidsongeschiktheid van 50,54%, gebaseerd op zijn praktische verdiencapaciteit van 22 uur per week als leraar. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderliggende verzekeringsgeneeskundige rapport en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist waren, omdat deze een lagere urenbeperking vermeldden dan hij wenste, namelijk maximaal 22 uur per week met rustdagen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen voldoende procesbelang had bij het aanvechten van het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2016. Volgens vaste rechtspraak is procesbelang alleen aanwezig als het nastreven van het resultaat feitelijke betekenis heeft en niet louter formeel of principieel is.
Appellant gaf aan dat het rapport en de FML aangepast moesten worden omdat het standpunt van het UWV over zijn belastbaarheid leidend is voor toekomstige beoordelingen. De Raad stelde echter dat appellant dit in een toekomstig besluit kan aanvechten, waardoor het huidige hoger beroep niet ontvankelijk is verklaard.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 oktober 2018, waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.